Hoe heet is te heet voor je hond om veilig buiten te lopen?

Tijdens de zomermaanden is het essentieel om je hond goed in de gaten te houden om gevaren in verband met hoge temperaturen, zoals een zonnesteek en zonnebrand, te voorkomen. Een vaak over het hoofd geziene bron van gevaar als de temperatuur stijgt, is een hete stoep of heet asfalt, wat snel kan leiden tot ernstige brandwonden aan de voetzolen van je hond.

De voetzolen van je hond bestaan ​​uit vetweefsel en elastische vezels, samen met een dikke huid die waarschijnlijk enigszins eeltig is, afhankelijk van het activiteitsniveaus van je hond. De zolen van puppy’s zijn minder eeltig en daarom gevoeliger dan die van volwassen honden. Een van de belangrijkste doelen van voetzolen is om als schokdemper te dienen terwijl je hond wandelt en loopt. Ze kunnen ook tot op zekere hoogte helpen bij het reguleren van de lichaamstemperatuur.

“Honden zijn enigszins gevoelig voor warmte en kou, maar ze bouwen veel sneller een tolerantie op dan wij”, vertelde Dr. Greg Hammer, voormalig DVM-president van de AVMA in Dover, Delaware, aan de AKC. “Als je een binnenhond hebt en je laat die hond nooit over de hete straten lopen, dan krijgen ze blaren of zweren aan hun voeten. Het is te vergelijken met mensen die altijd schoenen aanhebben en ineens op blote voeten naar buiten gaan. Door regelmatig met je hond naar buiten te gaan en hem of haar te laten lopen op warme en koude oppervlakken bouw je een geleidelijke tolerantie op. “

c
Wanneer is het te heet voor de voetkussens van je hond?

Hoewel honden enige tolerantie op hun poten opbouwen om hogere en koudere temperaturen te weerstaan, samen met oneffen terrein, kunnen te hoge bestratingstemperaturen leiden tot brandwonden en andere verwondingen. Als de luchttemperatuur 30 graden Celsius registreert, zal de asfalttemperatuur aanzienlijk hoger zijn – ruim 57 graden Celsius.

Als algemene vuistregel geldt dat als het buiten 29 graden Celsius of hoger is, het te warm kan zijn voor je hond om veilig buiten te lopen, vooral als het trottoir/ asfalt/ mulle zand geen gelegenheid heeft gehad om tussen de warmere periodes af te koelen.

Volgens Dr. Jerry Klein, Chief Veterinary Officer van AKC:
“Het wegdek, zoals asfalt of kunstgras, en het mulle zand op het strand kan ongelooflijk heet worden en ongemak, blaren en brandwonden aan de voetzolen van een hond veroorzaken … Om erachter te komen of de grond te heet is voor je hond om op te lopen, leg je je hand 10 seconden op de stoep. Als het te warm is voor je hand, is het te warm voor de pootjes van je hond.”

Door op je blote voeten te gaan lopen kun je op een eenvoudige manier bepalen of de grond te warm is voor je hond. Als je voeten branden terwijl je over het terras, het strand of een trottoir loopt, zullen de poten van je hond ook ongemakkelijk zijn en het risico lopen op letsel.
c
Tekenen van verbrande voetzolen

Als je bij warm weer met je hond buiten bent geweest, kunnen brandwonden aan hun kussentjes eruitzien als een rode, gezwollen huid of blaren, die zich na enkele dagen kunnen vullen met vocht en scheuren. Bij ernstige brandwonden kan de huid op het kussen eraf vallen, waardoor een ruwe en pijnlijke open wond achterblijft. Andere tekenen dat je hond zijn voetzolen heeft verbrand, zijn onder meer:

– Hinken/ mank lopen
– Poot likken
– Abnormale positie van de poot
– Bloeden
– Geluid maken bij het plaatsen van het gewicht op de poot
– Voetzool is donkerder van kleur dan normaal
– Andere zichtbare schade aan de voetzolen
– Tegenzin om te lopen of te staan

Als de voetzolen van je hond zijn verbrand, raadpleeg dan onmiddellijk je dierenarts, aangezien medicijnen nodig kunnen zijn om infectie te voorkomen en pijn te beheersen. Het kan zijn dat de poot in het verband moet om vuil buiten te houden en het oppervlak van de voetzool te beschermen (waarbij het dagelijks gedesinfecteerd en vervangen moet worden).

Je moet de activiteit van je hond beperken terwijl ze genezen, en oppervlakken die heet of oneffen zijn, moeten worden vermeden. Met de juiste rust en wondverzorging kunnen milde brandwonden binnen zeven tot tien dagen genezen, terwijl ernstigere brandwonden weken kunnen duren om volledig te genezen.
c

Hoe je de poten van je hond kunt beschermen

Wandelen met je hond op de stoep als de temperatuur koel is, is een van de beste manieren om eelt op de kussens van je hond op te bouwen, waardoor die beter bestand is tegen warmere temperaturen (maar niet tegen hete). Het masseren van de kussens van je hond met kokosolie of een speciale potenwax is ook nuttig om ze gehydrateerd te houden en het maakt ze minder vatbaar voor barsten en uitdroging, wat het risico op brandwonden door hete bestrating verhoogt.

Als je in de zomer buiten gaat wandelen, doe dat dan in de vroege ochtend- of late avonduren als de temperatuur is afgekoeld, bij voorkeur op gras of aarde. Maar houd er rekening mee dat bestrating heet kan blijven, zelfs als het niet meer het heetste deel van de dag is. Als je hond het verdraagt, kunnen hondenschoenen worden gebruikt om de poten tegen de hitte te beschermen, maar houd er rekening mee dat honden de grond met hun poten voelen, zodat schoenen hun vermogen om hun omgeving waar te nemen kunnen belemmeren.

Als de stoep heet genoeg is om de poten van je hond te verbranden, kunnen de buitentemperaturen ook heet genoeg zijn om hittegerelateerde gezondheidsproblemen te veroorzaken. “Naast beschadigde poten kan heet wegdek ook de lichaamstemperatuur van een hond verhogen en bijdragen aan de ontwikkeling van een zonnesteek,” zei Klein.

Je hond heeft een hogere gemiddelde lichaamstemperatuur dan de mens, en veel minder vermogen om af te koelen, dus elke keer dat je in de zomermaanden met je hond buiten bent, let dan niet alleen op de gezondheid van de pootjes, maar ook op tekenen van systemische oververhitting, zoals:
– Zwaar hijgen of snel ademen
– Overmatig kwijlen
– Extreme dorst
– Verhoogde hartslag
– Lusteloos starende ogen
– Braken, bloederige diarree
– Heldere of donkerrode tong, tandvlees
– Epileptische aanval
– Verhoogde lichaamstemperatuur
– Zwalken, struikelen en/of waggelen
– Ineenstorten/ onwel
– Bewusteloos

c
Kort samengevat
Als het buiten 29 graden Celsius of hoger is, kan het te warm zijn voor je hond om veilig buiten te lopen, vooral als de stoep geen gelegenheid heeft gehad om tussen de warmere periodes af te koelen. Reken erop dat bij een buitentemperatuur van 30 graden Celsius de temperatuur van het asfalt ongeveer 57 graden Celsius is. Is het asfalt, het zandstrand, het gras te heet om je hand of blote voet zonder problemen of enige moeite 10 seconden lang op de grond te houden, is het te warm voor de kussentjes van je hond. Controleer de voetzooltjes van je hond regelmatig en verzorg ze met een goede potenwax of potenzalf voor een snel herstel van de kloven, sneetjes en scheuren in de voetzool. Zo kun je ook tijdens de warmere zomerdagen op een verantwoorde manier genieten met een blije hond.

Bronnen en referenties:
The Farmer’s Dog, Digest August 13, 2020

AKC November 19, 2012

American Kennel Club August 4, 2021

PetMD August 17, 2016

NB: Dit is een Nederlandse vertaling van het artikel van Dr. Karen Shaw Becker

Waarom eet mijn hond gras?

De meeste honden eten van tijd tot tijd gras, en sommigen maken er een vaste gewoonte van. Gras eten beschouwen we vaak als nieuwsgierig hondengedrag dat onschuldig genoeg lijkt, waarbij veel hondeneigenaren zich bezorgd afvragen of er misschien sprake is van een onderliggend gezondheidsprobleem.

Redenen waarom honden gras eten

Het feit is dat het eten van gras, een gedrag is dat sommigen classificeren als “pica” – de inname van non-foodproducten – en niet alleen bij gedomesticeerde honden, maar ook bij wilde honden/ wolven/ hyena’s etcetera beschouwen als heel normaal. En hoewel gras geen primaire voedselbron is voor honden, is het dat wel voor andere soorten, dus hoewel ik het knabbelen aan gras niet classificeer als “pica”, raad ik eigenaren aan om de gezondheid van de darmflora en voedingsstatus van hun hond te evalueren als het gedrag obsessief wordt.

Het eten van gras kan voor sommige honden een teken van verveling zijn of een manier om de tijd te doden; voor anderen is het leuk en lonend gedrag. Er zijn echter ook bepaalde gezondheidsgerelateerde redenen waarom honden gras eten.

Om gastro-intestinale (GI) klachten te verlichten – Veel honden met een verstoorde maag consumeren gras omdat ze instinctief weten dat ze hierdoor moeten overgeven. Er lijkt iets te zijn aan de textuur van gras dat bij veel honden braken of een stimulering van de stoelgang veroorzaakt, wat hun ongemak verlicht. Als dit het geval is bij jouw hond, dan zal hij waarschijnlijk bijna dwangmatig naar buiten willen gaan om bij het dichtstbijzijnde stukje grasveldje te staan grazen.

De intensiteit van de grasconsumptie is meestal sterk en het gekozen gras lijkt minder belangrijk als je hond per direct nood heeft. Als de “remedie” werkt, zal hij op een gegeven moment stoppen met kauwen, zijn lippen likken (een teken van misselijkheid bij honden) en overgeven.

Dit is normaal gedrag voor honden en niets iets om je zorgen over te maken, tenzij het meer dan een of twee keer per jaar gebeurt. Het is de manier van de natuur om honden te helpen gifstoffen uit hun lichaam te verwijderen en hun maag-darmkanaal weer in balans te brengen.

Andere redenen om gras te eten – Honden die gras eten om over te geven, zijn meestal niet selectief over welk gras ze consumeren; ze willen gewoon het braken opwekken en zich beter voelen. Maar er zijn ook nog andere redenen waarom honden gras eten (en niet overgeven). In feite zoeken veel honden dan naar specifieke grassen en zijn ze vrij selectief over de soort waarnaar ze op zoek zijn.

Er zijn verschillende redenen waarom honden gras eten en niet overgeven, waaronder:
* Om het microbioom in evenwicht te brengen — Gras bevat prebiotische vezels die kunnen helpen de darmflora van je hond in balans en veerkrachtig te houden.

* Om darmparasieten te elimineren — Chimpansees consumeren plantaardig materiaal om de darmmotiliteit te vergroten om hun lichaam te ontdoen van darmparasieten.1 Het is mogelijk dat honden om dezelfde reden gras eten.

* Om aan specifieke voedingsbehoeften te voldoen — In een onderzoek uit 2008 ontdekten onderzoekers dat het eten van gras bij gedomesticeerde honden een normale neiging is.2 Dit kan erfelijk gedrag zijn, aangezien wilde honden hele prooidieren eten, inclusief de ingewanden (ingewanden), die doorgaans verteerd plantaardig materiaal bevatten.

Het is mogelijk dat de grassen die je hond graag kauwt, voedingsstoffen bevatten die haar lichaam niet heeft. Gras is een overvloedige bron van vezels. Als levend groen voedsel bevat het fytonutriënten, is het rijk aan kalium en chlorofyl en is het ook een behoorlijk goede bron van spijsverteringsenzymen. Uw hond kan op zoek zijn naar selectieve grassen om een ​​of meer voedingsstoffen aan te maken die ze momenteel niet in haar dieet krijgt.

Eet je hond regelmatig gras?

Graseten wordt een reden tot bezorgdheid als het vaak voorkomt, in grote hoeveelheden voorkomt of gepaard gaat met tal van andere symptomen (zoals braken, constipatie of zelfs diarree). Als het graseten van je hond dus chronisch is en vooral als ze daardoor vaak moet braken, is het tijd om een ​​afspraak te maken met je dierenarts.

In de tussentijd raad ik aan het dieet van je hond te upgraden als ze nog steeds brokjes of ander commercieel hondenvoer van niet-menselijke kwaliteit eet. De meeste gezonde honden die een qua voedingswaarde optimaal, soortspecifiek dieet krijgen, consumeren niet routinematig een overvloed aan gras omdat ze alle voeding die hun lichaam nodig heeft uit hun voedsel halen en ze zelden last hebben van spijsverteringsproblemen. Het toevoegen van probiotica en spijsverteringsenzymen kan ook gunstig zijn voor honden met ‘gevoelige magen’.

Als je zeker weet dat je hond optimale voeding krijgt uit haar dagelijkse dieet en haar microbioom gezond is, maar ze eet nog steeds een aanzienlijke hoeveelheid gras, overweeg dan om je eigen kiemgroenten te kweken. Kiemgroenten zijn jonge plantjes die nog maar net ontkiemd zijn van bijvoorbeeld zonnebloemen, kikkererwten, linzen, bonen, rode bieten, radijs, prei, broccoli, luzerne (alfalfa). Ze zijn een gemakkelijke, goedkope bron van verse, levende, organische vegetatie en zijn veel voedzamer dan gras.

Als je hond selectief is over het gras dat ze eet, hoge, brede grassen kiest om op te knabbelen (het soort dat meestal langs een omheining of tussen scheuren in het trottoir groeit) en dan verder gaat, eet ze hoogstwaarschijnlijk gras omdat ze dat wil of omdat ze op zoek is naar de voedings- of spijsverteringsvoordelen die het biedt. Er is geen reden tot bezorgdheid zolang je zeker weet dat het gras dat ze eet vrij is van pesticiden, herbiciden en andere verontreinigingen.

(Nederlandse vertaling van het artikel van Dr. Karen Shaw Becker van 20-06-2022)

Bronnen en referenties:

OVERWIN DE WARMTE – Temperatuur heeft een momentum

Als je hond hard aan het werk is, je hond het te warm begint te krijgen, stop je met wat jullie aan het doen zijn, je geeft ze een pauze, zet ze in de schaduw en geeft ze wat water…..KLAAR?!

NEE…nog niet want weet je wat er vervolgens met de lichaamstemperatuur gebeurt? Ken je de tekenen en symptomen van je hond op het moment dat je je hond laat afkoelen?

Vallen die symptomen ineens meteen weg?

Pauzeren ze?

NEE….. Temperatuur heeft een momentum! Oftewel er breekt een periode aan van een stijgende en dalende beweging.  Zelfs nadat je je hond in rust hebt gebracht, zal hun kernlichaamstemperatuur blijven stijgen, raakt het plafond en neemt dan pas af!
c

Wat betekent dat in de praktijk??
Je evalueert je hond niet alleen in het hier en nu, je moet juist ook vooruitdenken. Zelfs als je meteen stopt zodra je verschijnselen van oververhitting constateert, zal het eerst slechter gaan met je hond voordat het beter wordt!

Vaak missen we de vroege subtiele signalen en symptomen bij onze hond, omdat een hond die aan het werk is veel van deze vroege signalen kan verdoezelen. Dus jij denkt dat je hond prima in orde is. Maar weet dat de lichaamstemperatuur van je hond nadat jullie niet meer actief zijn nog steeds omhoog gaat. Aan de buitenkant zie je niets en lijkt alles prima in orde, terwijl in feite het erger kan worden. Loop je dan weg, weet dat het met je hond nu slechter kan gaan.

Houd je hond juist op die ‘afkoelmomenten’ extra in de gaten om zeker te zijn dat je hond niet in een shock zal komen omdat de lichaamstemperatuur ineens weer omhoog gaat.
c

De fases van oververhitting
Bij een hond die oververhit raakt, kan de lichaamstemperatuur oplopen tot vaak boven de 41 graden. Wat zijn de verschillende fases bij oververhitting:
1ste fase oververhitting: In eerste instantie gaat je hond verschrikkelijk snel hijgen en onrustig naar een koele plek zoeken. Vuurrode slijmvliezen, gloeiend warm aanvoelen en veel speeksel zijn tekenen van een eerste fase van oververhitting. In deze fase verliest de hond veel vocht, waarbij hij vaak niet de kans heeft dit verlies te compenseren door te drinken.

2de fase oververhitting: In een volgende fase raakt de hond z’n warmte niet meer kwijt door extra hard te hijgen. Door het gehijg wordt het lichaam alleen maar warmer. De hond gaat kwijlen, de tong en slijmvliezen veranderen van kleur (van donkerrood naar zelfs paars/ blauw), braken of diarree optreden. Dit betekent nog meer verlies van vocht. Je hond begint te zwalken, luistert slecht en kan nauwelijks nog op z’n pootjes staan.
3de fase oververhitting: De hond is nu al geruime tijd oververhit, kan slap worden, omvallen of bewusteloos raken en in een shock raken. Dieren in shock hebben meestal bleke slijmvliezen, koude oren en voeten en een snelle zwakke hartslag.  Het dier reageert dan nauwelijks meer, heeft een snelle zwakke pols, een snelle oppervlakkige ademhaling en verwijde grote pupillen. Alle kleur trekt uit de slijmvliezen en tong waardoor deze bleek tot zelfs grauw worden. Je hond begeeft zich nu in een levensgevaarlijke situatie waarbij er geen weg meer terug is zonder drastisch ingrijpen van een dierenarts.

c

Hoe meet je de hartslag?
Leg je vingertoppen hoog op de binnenkant van het achterbeen, vlak bij de romp in de lies. Tel nu het aantal hartslagen gedurende een minuut. Je kunt ook 30 seconden tellen en dit aantal verdubbelen om te komen tot de hartslag van je hond per minuut. Doe dit thuis zodat je weet wat een normale hartslag van je hond, zodat je bij symptomen van oververhitting weet dat de hartslag ‘niet normaal’ is. Over het algemeen geldt in normale rust een hartslag tussen de 60 (kleine hond) en 120 (grote hond) per minuut.

c

Het is pas voorbij, als het momentum achter de rug is
Pas als de hartslag en ademhaling van je hond weer ‘normaal is, hij weer alert uit z’n ogen kijkt, de pupillen van beide ogen normaal zijn, de poten en oren weer qua temperatuur normaal aanvoelen, het tandvlees weer mooi roze blijft nadat je het tandvlees hebt ingedrukt, de elasticiteit van de huid goed is…pas dan is het momentum echt voorbij.
Houd je hond dus in de gaten!

Hoeveel zouden jij en je hond moeten drinken tijdens het sporten?

Hoeveel vocht moeten we onze honden dagelijks en tijdens het sporten geven? Hoe kan ik zien dat m’n hond voldoende drinkt? In deze blog heb ik de informatie hierover voor hond en baas op een rijtje gezet, want wat is de theorie? Uiteraard is deze informatie gebaseerd op “de gemiddelde hond” en “de gemiddelde mens” … dus pas het toe op jouw unieke hond en jou als uniek mens:)
c

Hoeveel water heeft de mens nodig om goed gehydrateerd te blijven?

Het algemene antwoord voor mensen is gemiddeld 8 glazen van 220-250ml. Of in ieder geval 1 liter water naast het vocht dat je via de voeding waarin al veel vocht zit binnenkrijgt. Heel wat groenten en fruit bevatten veel water, zoals
– watermeloen en grapefruit (90% water),
– blauwe bessen, sinaasappelen, mandarijnen, nectarines, pruimen, perziken, limoen, citroen (85-89% water)
– appel, peer, mango, druiven, kiwi (80-84% water)
– komkommer (97% water)
– ijsbergsla (96%)
– bleekselderij, radijs en tomaten (95% water)
– paprika (94%)
– spinazie, broccoli, wortels (90%)

Bovendien zijn ze rijk aan vitamines en mineralen, dus je doet er extra voordeel mee voor je gezondheid!

Hoeveel je exact moet drinken hangt onder meer af van je lichaamsgewicht, lengte en intensiteit van je sportsessie. Zeker bij warme temperaturen verliezen we veel vocht (en elektrolyten) door te zweten, waardoor sporters extra waakzaam moeten zijn over hun vochtinname. Wil je er zeker van zijn dat je lichaam voldoende gehydrateerd is om optimaal te functioneren? Check je lichaam dan op deze signalen die kunnen wijzen op een vochttekort.

c

De signalen van dorst
Als je de strategie volgt om te drinken als je dorst hebt, dan gaan we er automatisch vanuit dat je bekend bent met de dorst-signalen van je lichaam. Maar die aanname is niet correct. Er zijn mensen die het gevoel van dorst niet of nauwelijks kennen omdat ze zichzelf aangeleerd hebben om die prikkel te negeren. In dat geval zul je ondanks de afwezigheid van de dorstprikkel dan voldoende drinkmomenten moeten inlassen in je dagelijkse routine. Of het lichaam geeft toch een signaal af maar dan meer in de vorm van een hongergevoel. Je lichaam vraagt dan om eten terwijl je eigenlijk dorst hebt.

Hoe weet je of er sprake is van een dorstgevoel in plaats van een hongergevoel?
Wanneer het hongergevoel verdwijnt na het drinken van een paar glazen water, is de kans groot dat het dus geen hongerprikkel maar een dorstprikkel was.

Je dorstprikkels lijken dus erg op een seintje van je lichaam dat je honger zou hebben. Welke signalen geeft je lichaam om je aan te sporen om wat te gaan drinken?

  1. Hoofdpijn; vochttekort is een van de redenen dat je hoofdpijn krijgt
  2. Donkergele urine; de kleur van je urine hoort lichtgeel van kleur te zijn als je vochthuishouding op orde is. Als je onvoldoende drinkt is de donkergele kleur van je urine een van de eerste signalen dat je onvoldoende hebt gedronken.
  3. Droge huid; drink je onvoldoende dan zal je lichaam het vocht als eerste onttrekken uit je huid. Omdat je huid uit 30% water bestaat zal je lichaam deze hoeveelheid gebruiken om je vitale organen goed te laten functioneren. De huid is minder elastisch, droog en schilferig.
  4. Vieze smaak in mond; niet iedereen merkt een droge mond op, maar als je een vieze smaak in je mond hebt of uit je mond stinkt kan een droge mond door te weinig speekselaanmaak de reden zijn.
  5. Droge ogen; door te weinig vocht wordt er ook minder traanvocht geproduceerd waardoor je last krijgt van droge ogen
  6. Rugpijn en nekklachten; iets minder bekend is het verband tussen lage rugpijn/ nekpijn en een vochtgebrek. Tussen de wervels zitten tussenwervelschijven die bij beweging voorkomen dat de wervels tegen elkaar kunnen komen. Deze tussenwervelschijven bevatten een soort gelei die minder elastisch wordt door te weinig vochtinname. Hierdoor kun je last krijgen van rugpijn of pijn in de nek.
  7. Lage bloeddruk-duizeligheid, flauwvallen, misselijkheid; uitdroging kan een oorzaak zijn van een te lage bloeddruk. De symptomen bij een te lage bloeddruk zijn een slap gevoel, duizeligheid, flauwvallen en misselijkheid.
  8. Futloos, vermoeidheid; je energieniveau daalt bij een vochtgebrek omdat dehydratatie leidt tot ene tragere stofwisseling. Net als bij een slappe huid
  9. Constipatie; het volume van je stoelgang kan afnemen bij een vochttekort en je stoelgang kan hard worden wat kan leiden tot constipatie. Zeker bij het eten van vezelrijk voedsel is het belangrijk om voldoende water te drinken. Vezels absorberen namelijk veel vocht waardoor de stoelgang soepel en zacht wordt.

c

Onderzoek voldoende drinken
‘Als je wacht met drinken tot je dorst hebt, dan is het te laat.’ Dat heb je ongetwijfeld meerdere malen gehoord als antwoord op hoeveel je onderweg zou moeten drinken tijdens je training, lange duurloop of evenement. Het is een van de vele levenswijsheden die ervaren lopers doorgeven aan trainingsmaatjes die nog niet zoveel kilometers in de benen hebben. Echter….het klopt niet.

Een toenemend aantal onderzoeken toont namelijk aan dat je de schadelijke effecten van onvoldoende drinken kunt voorkomen door simpelweg te drinken als je dorst hebt. Een bevestiging dat deze “drink-als-je-dorst-hebt”-strategie goed werkt komt uit het European Journal of Applied Physiology. In dit wetenschappelijk magazine wordt een studie beschreven waarin 10 ervaren hardlopers – zes mannen, vier vrouwen – verspreid over een langere periode meerdere duurlopen van twee uur liepen. Het tempo van de duurlopen was steeds hetzelfde, en vrij rustig. Maar ze liepen bij verschillende temperaturen en met verschillende drinkstrategieën. De studie leverde twee belangrijke leerpunten op.

Leerpunt 1: Ondanks dat de temperatuur tijdens de verschillende duurlopen hoog was (22, 30, en 35 graden Celsius), bleken de lopers die onderweg dronken wanneer ze wilden slechts beperkt gedehydrateerd. Na afloop van de duurtraining bleken ze 1,7 tot 1,9 procent lichter dan toen ze begonnen. Dat is binnen de grens van 2 procent die vaak wordt aangehaald als de drempel waarboven het vochtverlies ten koste gaat van de prestatie. Met andere woorden, drinken als je dorst hebt bleek een goede strategie om voldoende gehydrateerd te blijven, zelfs wanneer de lopers stevig transpireerden als gevolg van zeer hoge temperaturen.

Leerpunt 2: Wanneer de lopers de duurlopen uitvoerden met een vooraf vastgesteld drinkplan, was de hartslag niet anders dan bij de vrije drinkstrategie. De trainingen werden niet lichter ervaren en zelfs bij 35 graden legden ze in die twee uur niet meer afstand af. Het vaste hydratatieplan om elke 20 minuten een koolhydraat- of wei-eiwitdrank te nemen, plus zoveel water als gewenst, leidde wel tot minder uitdroging aan het einde van de duurlopen. Het gewichtsverlies was 0,6 tot 0,7 procent, de helft minder dan na de drink-as-you-feel duurlopen. Maar dat leverde schijnbaar geen enkel duidelijk voordeel op.

LET OP: Er is een grotere kans op maagdarmproblemen als je jezelf dwingt om te blijven drinken, ongeacht je dorst. Het is beter om je trainingen en wedstrijden altijd goed gehydrateerd te beginnen– je urine is dan licht gekleurd of nagenoeg kleurloos – en zonder een gevoel van dorst. Als je er voor een langere training op uit gaat, zorg dan dat je vloeistoffen binnen handbereik hebt. Houd het simpel en vertrouw tijdens het hardlopen op de signalen van je lichaam.

c

Hoeveel water heeft de hond nodig om goed gehydrateerd te blijven?
Hoe zit het dan met onze honden? Hoeveel water hebben ze nodig om gehydrateerd te blijven? En hoeveel moet mijn sporthond drinken als hij actief is?

Als je hond bijvoorbeeld hijgt om af te koelen, verliest je hond vocht. Doorgaans wordt dit vochtverlies vanzelf weer aangevuld door op tijd te eten en te drinken. Wanneer die aanvulling, bijvoorbeeld door oververhitting, uitblijft of onvoldoende is, gaat het lichaam uit zichzelf vocht vanuit de cellen naar de belangrijkste lichaamsprocessen sturen, zodat die kunnen blijven functioneren. Dat is een natuurlijk mechanisme. Maar hier wordt het link, want als er te véél vocht vanuit die cellen wordt getransporteerd, verliest het lichaam belangrijke moleculen (‘elektrolyten’). Het gaat dan onder meer om natrium, kalium, chloor, bicarbonaat, calcium, fosfor en magnesium. Nochtans zijn deze elektrolyten onmisbaar voor cruciale lichaamsprocessen. Een gezond functionerend lichaam houdt deze vanzelf in een natuurlijk evenwicht, maar als deze balans verstoord geraakt, kan het nare gevolgen hebben.

c

Een eenvoudige formule
Zoek uit wat je volwassen hond weegt en bereken
40-60ml water per kilo. Als je hond meer dan 100 ml per kg lichaamsgewicht drinkt, dan drinkt hij te veel.

  • Kleine honden (10-15kg) hebben gemiddeld 400-900ml water per dag nodig
  • Middelgrote honden (20-30kg) hebben gemiddeld 900ml -1,8 liter water per dag nodig
  • Grote honden (40kg+) hebben minimaal 1,6 – 2,4 liter per dag nodig

Mijn Witte herder is 40 kilo. Dat betekent dat hij op een normale dag zonder veel activiteit bij gewone temperaturen minimaal 1,5 tot 2,5 liter vocht per dag zou moeten hebben. Mijn husky is 20 kilo en zou aan minimaal 800ml tot 1,2 liter vocht voldoende moeten hebben. Ervan uitgaande dat je hond dagelijks rauw vlees, fruit en/of groente krijgt waaruit hij ook het nodige vocht kan halen. Uiteraard heeft een pup meer water nodig als een volwassen hond, omdat het lichaam van een pup voor een groter deel bestaat uit water.

Dit is de versimpelde formule. Natuurlijk maken de soort hond, de activiteit en het weer een belangrijk verschil in wat je hond werkelijk nodig heeft. Bij warme weersomstandigheden en tijdens het sporten met je hond wordt door dierenartsen geadviseerd om de dagelijkse hoeveelheid water te verhogen met 50%.

Met andere woorden op een dag dat we een lange wandeling in zwaar technisch terrein bij warme omstandigheden gaan maken heeft mijn Husky Kaya minimaal 1,2-1,8 liter vocht nodig. Als ik haar voor het sporten in de ochtend een kippenbouillon aangelengd met water geef dan is dat al 300ml. Vervolgens neem ik een waterzak van 1 – 1,5 liter water mee om haar onderweg minimaal 1 liter vocht aan te kunnen bieden. Na afloop van onze sportieve activiteit geef ik haar weer 300ml kippenbouillon aangelengd met water aan. Dan kom ik op minimaal 1,6 liter vocht in de vorm van water/ kippenbouillion. Overdag krijgt mijn husky een mix van koudgeperste brokken en vegabrokken met extra groenten. Hierin zit al ongeveer 8% vocht. In de avond krijgt ze rauw vlees waarin circa 65% vocht zit. Dan kom ik op een totaal van minimaal 1,8 liter vocht. Daarnaast kan ze in de watertjes onderweg tijdens de wandeling met de pootjes in het water om af te koelen en drinkt ze wat slokjes. Thuis kan ze zelf naar behoefte nog wat water drinken uit de waterbak. En zo zou ik voor haar op ongeveer 2liter aan vocht uit kunnen komen.

Zorg ervoor dat je voor je hond minimaal die 50% extra aan water meeneemt om de maximale formule aan vocht te kunnen aanbieden tijdens een lange duurloop onder warme omstandigheden. Het water waar je hond onderweg dan nog uit zou kunnen drinken is dan enerzijds voor het extra kunnen afkoelen of om water voor onderweg te besparen om zeker te zijn dat je voldoende overhoudt voor de rest van jullie wandeling/ canitrail.

 

Een goede hydratatie van de hond; signalen
Honden kunnen niet zeggen dat ze dorst hebben en de signalen van je hond kunnen gemakkelijk over het hoofd worden gezien omdat deze erg subtiel zijn. Train je als hondenbaasje dan ook in het goed observeren van je hond op dorst-signalen. Bij twijfel bied je wat te drinken aan in een opvouwbaar drinkbakje of loop je naar het beekje of waterplasje zodat de hond zelf kan beslissen of hij wil drinken.

c
Symptomen van Uitdroging
Je hond geeft diverse signalen om aan te geven dat hij begint uit te drogen en behoefte heeft aan extra vocht. Let op de volgende combinatie van signalen:
– onrustig
– dik speeksel
– donkergele urine of het uitblijven van plassen
– droge neus en ogen
– droge, plakkerige slijmvliezen
– desinteresse voor z’n omgeving
– laag energiepijl
– hijgen (meer of sneller als normaal)
– slaperig
– likken aan de bek of smakken
– prikkelbaarheid
– verminderde eetlust
– verminderde huidelasticiteit

 

Hoe kun je de checken of je hond voldoende gehydrateerd is?
1. Droge neus
Als de neus van je hond droog is, is het al een teken dat je hond aan het uitdrogen is. Leid je hond naar het water en moedig het drinken ervan aan. Of bied een bakje met vocht aan.

Een droge neus is niet het enige teken van een uitgedroogde hond. Houd er rekening mee dat uw hond een natte neus kan hebben en toch uitgedroogd kan zijn of op het punt staat echt te moeten drinken.

2. Elastische huid
De huid verliest net als bij de mens elasticiteit omdat het vocht verliest. En ook bij honden wordt er bij een vochttekort vocht onttrokken uit de huid ten behoeve van het functioneren van de vitale organen. Een huid zonder vocht blijft gerimpeld.
Controleer de achterkant van de nek van je hond door in de huid tussen twee vingers te knijpen. Als je het loslaat en de huid weer plat gaat liggen, is je hond gehydrateerd. Als de huid geplet of gerimpeld blijft, moet je hond zo snel mogelijk wat water drinken.

3. Droog en bleek tandvlees
Als je met je vinger over het tandvlees van je hond gaat, en het een beetje slijmerig aanvoelt, heb je een gehydrateerde hond. Als het tandvlees niet slijmerig is, moet je hond drinken en is hij aan de uitgedroogde kant van het leven.
De technische manier is door een methode te gebruiken om de capillaire hervultijd te controleren. Trek de lip omhoog op een moment dat je hond voldoende gehydrateerd is en drukt je vinger stevig tegen het tandvlees totdat het weefsel witachtig van kleur lijkt. Kijk hoe lang het duurt voordat het tandvlees zich weer roze vult.
Nu weet je hoe lang het duurt en is dat een mooi uitgangspunt om te kunnen bepalen of je hond tijdens een activiteit nog voldoende of onvoldoende gehydrateerd is.  Als je je vinger weghaald en het weefsel er grijs uitziet of het langer als normaal duurt voordat het weer roze is, is je hond uitgedroogd.

4. Minder coördinatie, sloom, slaperig, kleinere pupillen
Als je ziet dat je hond wat traag beweegt, begint te zwalken, gedesoriënteerd reageert op bijvoorbeeld het naar links gaan als je het commando ‘link’ geeft of misschien wel wat minder sociaal reageert naar andere honden/ mensen als normaal dan kan het tijdens jullie inspanning wijze op een vochttekort.

5. Diarree
Als een hond zich langer dan een half uur extra inspant zoals bij het canitrailen, kan er zo veel bloed naar de spieren gaan dat de darmen te weinig bloed krijgen om het voedsel te verteren waardoor er diarree kan ontstaan. Diarree levert een enorm vochtverlies op wat weer uitdroging kan veroorzaken.

c

Hoe kun je je hond laten drinken?
Er zijn echter honden die niet willen drinken ook al staan ze midden in het water. Zelfs als ze het wel nodig hebben. Dan wordt het tijd om je hond te gaan trainen in het ‘drinken’.

Gebruik bijvoorbeeld een lekker voertje om de neus van je hond naar de waterbak te lokken, laat het voertje in de kom vallen en als je hond een beetje water inneemt terwijl hij voor de traktatie gaat, beloon je hem heel enthousiast met je stem terwijl je je er het commando “drinken” aan toevoegt.

Houdt je hond van ijsblokjes dan kun je hetzelfde trucje doen. Laat de ijsblokjes in de waterkom vallen, zodat je hond moet drinken om de “traktatie” te kunnen pakken. Ik maak ijsblokjes van de kippensoep waar mijn honden dol op zijn. Een zeer sluwe manier om je hond aan te moedigen meer water te drinken. Als je het vaak genoeg doet, wordt het een gewoonte en kun je de traktatie vervangen door het soms aan te bieden en het andere niet te hebben. Bij herhaling zal je hond automatisch gaan drinken. Wanneer je het woord zegt op het moment dat je hond drinkt, koppel je de actie herhaaldelijk aan het woord.

Als je hond niet uit een plastic opvouwbaar bakje wil drinken, train het dan thuis op bovenstaande manier net zolang totdat het een feest wordt om te drinken uit het opvouwbare bakje. Of als je hond niet wil drinken uit een beekje kun je ook een overheerlijk voertje in de beek gooien.

c
Bied kleine hoeveelheden aan 
Zodra je hond gewend is om water te drinken uit een bakje of onderweg uit een beekje is het nog de vraag hoeveel je hond onderweg zou moeten drinken.

In een opvouwbare drinkbak van bijvoorbeeld 13 cm breed en 5cm hoog (in uitgeklapte vorm) kun je maximaal 450ml water aanbieden. Bij grote dorst is het verstandig om de helft hiervan aan te bieden en dan vaker met wat tijd ertussen in plaats twee volle bakjes water in 1 keer vanwege het gevaar op een maagtorsie/ maagkanteling.
Bied ook tijdens het hardlopen kleinere beetjes aan om te voorkomen dat je hond gaat braken vanwege het teveel aan water dat hem danig in de weg zal zitten. Het is vergelijkbaar met een klotsende maag tijdens het hardlopen.

Tijdens de echt langere wandelingen of Canitrails van boven de 2 uur heb ik altijd een zakje visfilet bij me van bijvoorbeeld Icepaw om aan het water van m’n hond toe te voegen voor een vissoepje. Deze visfilet is rijk aan proteïne, bevat mineralen en weinig vet en wordt snel door het lichaam opgenomen. Dit geeft onderweg tijdens de inspanning net dat beetje extra energie.

c

Tot slot; vooraf voldoende drinken
Zorg er in ieder geval voor dat je hond en jezelf geruime tijd vooraf aan jullie langere activiteit (circa 1,5 tot 2 uur ervoor) voldoende hebben gedronken, zodat jullie beiden goed gehydrateerd aan jullie sportieve avontuur beginnen en onderweg het vochtpeil alleen nog maar op orde hoeven te houden. Dat is beter als al half uitgedroogd op pad te gaan en dan onderweg erachter komen dat je moet afhaken vanwege uitdrogingsverschijnselen.

Zijn je hond en jezelf al voldoende gehydrateerd dan heeft het vooraf extra bijdrinken geen enkele zin, want het lichaam heeft geen reservepotje waarin je water kunt opslaan. Onderweg jullie vochtgehalte bijhouden door te drinken heeft dus wel zin omdat jullie tijdens de inspanning vocht verliezen via het ademen, zweten, hijgen en plassen.

c

Elektrolyten; Mensen en Honden 
Terecht werd mij bij de uitleg over het drinken de vraag gesteld hoe het dan zit met het aanvullen van de elektrolyten/ zouten bij een hond.

Wat zijn elektrolyten?
Elektrolyten zijn negatief of positief geladen deeltjes van een molecuul, (ofwel ionen) die zijn opgelost in water of bloed. Deze ionen bevatten elektriciteit omdat ze negatief of positief zijn geladen. Vandaar ook de term Elektrolyten.

Om je spier en zenuwfunctie goed werkend te houden zijn we zeer afhankelijk van de elektriciteit van de ionen. Water waar ionen in zijn opgelost (geïoniseerd water) zorgt ervoor dat het lichaam dit sneller opneemt. De zuurtegraad van je bloed is bijvoorbeeld zeer afhankelijk van elektrolyten. Misschien ken je wel het gevoel van (tegen de) kramp (aan) lopen. Dit wordt vaak veroorzaakt door een tekort aan elektrolyten. 

Het fijne is dat je als mens niet zo snel een overschot aan elektrolyten kunt hebben. Een tekort komt veel sneller voor. Houd hier rekening mee met je gebruik en de juiste keuze voor aanvullende sportvoeding.

Voor ons lichaam zijn de dit de belangrijkste elektrolyten: 

  • Magnesium 
  • Chloor 
  • Natrium 
  • Calcium 
  • Bicarbonaat 
  • Kalium 
  • Fosfaat 

Wat betekent dit voor jou als sporter? 
Tijdens het sporten verlies je door te zweten veel vocht en in dat vocht zitten kostbare elektrolyten. Chloor en natrium zijn de twee hoofdbestanden die je verliest. Door verlies van je elektrolyten zullen je sportprestaties achteruit gaan wanneer je deze niet compenseert. Aanvullen die elektrolyten dus.
c

Elektrolyten aanvullen bij honden?
Maar hoe zit dat dan bij honden? Moet je bij honden ook hun elektrolyten aanvullen? In tegenstelling tot mensen verliezen honden geen zouten als ze zweten omdat ze NIET zweten; de damp die ze bij het hijgen verliezen om hun lichaamstemperatuur te reguleren bestaat voornamelijk uit water.

“This water vapor is just that….basically water, no electrolytes (sodium, chloride, potassium). The kidneys conserve water to try and maintain hydration, but water loss continues. Fluid replacement is therefore also ‘just’ water. Additional electrolytes in the liquid, unneeded by the body, are eliminated via the kidneys.” ( citaat uit het onderzoek van Urban Search and Rescue Veterinary Group uit 2016)

Werkhonden, zoals opsporings- en reddingshonden, politiehonden, jachthonden en sporthonden die uren achter elkaar in extreme hitte of kou doorbrengen, kunnen baat hebben bij een rehydratieoplossing voor honden. Een onderzoek uit 2016 door de Urban Search and Rescue Veterinary Group wees uit dat honden die gedurende de dag een rehydratatieformule van kippenbouillon kregen aangeboden, zeker drie keer meer vloeistof consumeerden dan honden die gewoon water kregen.
c

Bottenbouillon voor effectieve hydratatie
Door je hond een bottenbouillon van bijvoorbeeld een hele kip of haan te geven voor en na het sporten, wordt hij effectiever gehydrateerd dan met alleen een kom water – hij zal waarschijnlijk ook meer drinken omdat het erg lekker is. De zelfgemaakte kippenbouillon voor honden is supergemakkelijk te maken, in te vriezen en klaar te maken voor wanneer je het nodig hebt.

De kippenbouillon volgens het recept van Hug Pet Food cultiveert een gezonde darm, is super verteerbaar en een bron van voedend comfort voor die dagen dat ze zich wat ziek voelen of gewoon wat extra hydratatie nodig hebben. Sterker nog, het zit boordevol essentiële voedingsstoffen en mineralen (zoals magnesium, calcium, fosfor, collageen en gelatine) die honden nodig hebben, wat bijdraagt aan de ondersteuning van de gewrichten en een goede gezondheid van het immuunsysteem.

Voordelen van een bottenbouillon
De voordelen van een bottenbouillon zijn legio. Naast een hele kip of haan kun je uiteraard ook de knie van een koe gebruiken.
Bijna alle honden die ik de kippensoep ( is eigenlijk een hanensoep van een hele haan) na een Natte Neuzen Trail heb gegeven zijn gek op m’n huisgemaakte bottenbouillion. Deze is tevens geweldig als je hond ziek is.
– De nuttige mineralen, aminozuren en antioxidanten geven een boost aan het immuunsysteem en helpen om sneller te herstellen na ziekte of na een lange inspanning.
– Als dieren aan de diarree zijn geweest of misselijk waren, is het perfect om ze weer langzaam aan het eten te krijgen. Je geeft ze vocht en nutriënten om mee aan te sterken.
– Botten zijn rijk aan glucosamine en gelatine wat nodig is om gewrichten gezond te houden. Dieren met stramme gewrichten hebben extra baat bij regelmatig een portie bottenbouillon!
– Gelatine is een zwaar ondergewaardeerd superfood! Ook voor honden en katten. Gelatine komt voor in bindweefsel, pezen, botten en gewrichten en helpt deze gezond te houden. Daarnaast is het ook een fantastische voedingsstof voor de darmwand. Het helpt het darmslijmvlies te herstellen.
– Door de bouillon geef je je dier extra vocht, maar je kunt ook een extra waterbakje met een scheut bouillon erin neerzetten. Veel honden vinden water met zo’n smaakje namelijk erg lekker!

Het Puppy Dagboek; hoe introduceer ik het canitrailen bij m’n pup

K9 Trail Time heeft op hun website vanaf juni 2017 een soort van dagboek bijgehouden over dingen die ze doen om hun nieuwe puppy Yogi kennis te laten maken met canicrossen zodat hun puppy net zoveel zal gaan genieten van het hardlopen als de rest van hun team als hij oud genoeg is. De drie fases heb ik in drie artikelen voor geïnteresseerde puppy-eigenaren die in de toekomst willen gaan canitrailen en canicrossen met hun lieve nog jonge viervoeters geschreven. De vertaling van deze artikelen heb ik voor jullie hieronder toegevoegd:

 

* 10 weken tot 6 maanden

Het eerste wat ik moet zeggen is dat onze pup nog een lange tijd NIET zal rennen in het tuig. Hij wordt momenteel 5 maanden oud en alles wat we doen in dit stadium is de basis leggen voor een gelukkige en evenwichtige hond. Yogi moet nog veel groeien en toen we hem met 10 weken kregen, ging hij eigenlijk nog 2 weken niet met de anderen wandelen om hem te laten settelen en te wennen aan het leven in zijn nieuwe naar huis voordat we iets fysieks deden.

In eerste instantie hebben we behoorlijk wat trainingen gedaan om Yogi te laten wennen aan zijn naam, aan z’n omgeving en de basisprincipes van puppytraining om hem op weg te helpen. Nadat hij al z’n vaccinaties had namen we hem mee naar het Tri Dog-evenement in Box End Park om Yogi te laten wennen aan het buiten zijn met veel andere honden in de buurt.

Voor ons is het heel belangrijk dat Yogi zich niet gestrest voelt omringd door andere honden en vooral niet door andere blaffende honden. Bij canicross-evenementen krijg je veel lawaai en activiteit aan het begin van races en als je een rustige en gecontroleerde hond aan de startlijn wilt hebben, is het belangrijk je hond te laten wennen aan dat soort lawaai en begrijpen dat het niet beangstigend is. Bij veel canitrail-evenementen is er vaak veel minder lawaai, maar het wennen aan luide muziek, veel activiteit en grote mensenmassa’s die tegelijkertijd gaan hardlopen (en dus de aanwezige energie verandert) is absoluut een must voor jullie sporthond-in-de-dop.

Het volgende dat we hebben gedaan, is hem laten wennen aan het dragen van een harnas. Het klinkt misschien voor de hand liggend, maar zoveel mensen laten hun hond aan een halsband lopen en verwachten dat hun hond het goed vindt dat hij een tuigje om heeft en leert eraan te trekken. Het gevoel van een harnas kan voor een hond heel anders zijn en daarom loopt Yogi al in een harnas tijdens onze speciale wandelingen, zodat hij kan leren dat het aantrekken van een harnas betekent dat jullie buiten iets leuks gaan doen.

Het andere dat we nu al trainen, zijn de commando’s tijdens onze speciale wandelingen. Je pup is nooit te jong om te beginnen met het trainen van de commando’s, dus we hebben gewerkt aan ‘wacht’ ‘ga door’ ‘gee’ (voor rechts) ‘haw’ (voor links) en ‘steady’ (als we die ooit onder de knie zullen krijgen zou dat een wonder zijn!). Tot nu toe lijkt het erop dat Yogi deze van de andere honden oppikt. Hij ziet de reactie van de andere honden op de commando’s die al getraind zijn en leert daar enorm veel van. Dit hoort allemaal bij z’n leerproces en uiteindelijk zal hij onafhankelijk weten wat de commando’s betekenen.

Het zal interessant zijn om te zien hoe Yogi de komende maanden met alles omgaat naarmate hij groeit en we meer activiteiten met hem kunnen gaan ondernemen. Op dit moment is wat hardlopen los van de lijn en relatief korte wandelingen aan de lijn, samen met op beloning gebaseerde training thuis, genoeg om zijn lichaam en geest bezig te houden terwijl hij leert over het leven als lid van het K9 Trail Time-team

Toevoeging: Je pup laat je in deze periode kennis maken met allerlei verschillende ondergronden zoals los zand, gras, mos, modder, water door er doorheen te lopen en de zenuwen te prikkelen. Je kunt nu ook het waterdrinken uit een opvouwbaar bakje trainen, het rijden van en naar een plekje in het bos, en laat je je pup zoveel mogelijk kennis maken met diverse geuren en beestjes in de bossen, duinen, weilanden etc.

* 6 tot 9 maanden

Dus nu je puppy een beetje volwassen is en er een beetje minder op een puppy en meer op een echte hond lijkt, kan het verleidelijk zijn om jullie speels opgezette wandelingen om te zetten naar echte trainingen. Juist op deze leeftijd heb ik het gevoel dat mensen een beetje te opgewonden raken over het trainen van hun hond en hun hond te snel teveel willen aanbieden. Het is erg belangrijk om te onthouden dat je hond nog steeds een puppy is, hoe volwassen ze er nu ook al beginnen uit te zien.

 

Dit is waar het debat begint. In veel sledehondenkennels beginnen de jongeren vanaf ongeveer 6 maanden in het tuig te gaan in teams (en dit is het cruciale ding) om de kneepjes van het vak te leren. Hoewel dat misschien allemaal goed en wel is voor een grote kennel waar grotere teams van honden samen rennen en de trekkracht wordt verdeeld over het team, is het niet hetzelfde als een hond die alleen aan je gewicht trekt. Het is ook de moeite waard om erop te wijzen dat veel van deze honden naar verwachting geen lange loopbaan zullen hebben en hoewel velen dat wel doen, is er een groot verschil tussen de ervaring van een racekennelhond en jouw hond.

 

Het is bewezen dat de groeischijven van honden pas volledig sluiten als ze een stuk ouder zijn en in het geval van sommige van de grotere hondenrassen is 2 jaar normaal voor volledige skeletvolwassenheid. Volledige volwassenheid wordt vaak pas bereikt als de hond ongeveer 3 jaar oud is. Met dit in gedachten, zou je dan niet liever een paar maanden willen wachten en ervoor zorgen dat je je hond geen onnodig kwaad doet? Ik ben er geen fan van om een ​​specifieke datum vast te stellen waarop je moet beginnen met het doen van een goede tuigtraining, aangezien elke hond een individu is en moet worden beoordeeld op zijn eigen ontwikkeling.

Je kunt bijvoorbeeld een GSP (Duitse kortharige pointer) hebben die, wanneer hij volgroeid is, meer dan 35 kg kan wegen en de bot- en spierstructuur moet hebben ontwikkeld om dat gewicht te ondersteunen voordat hij aan het harnas trekt. Of een GSP die amper 20 kg weegt en fysiek een stuk sneller volgroeid zal zijn dan de grotere, zwaardere hond. Zelfs dit houdt geen rekening met de ‘’mentale ontwikkeling’ van de hond en dit is iets dat volgens mij net zo belangrijk is als hun fysieke ontwikkeling.

 

Met andere woorden: sommige honden (zoals sommige mensen!) rijpen mentaal een stuk langzamer dan andere en hebben meer tijd nodig om informatie te verwerken om commando’s zelfverzekerd te kunnen volgen. Als je een pup hebt die snel afgeleid of nerveus is in een nieuwe omgeving, is het de moeite waard om de hond vertrouwen te geven in jou en in nieuwe situaties, voordat je verwacht dat ze voor je gaan werken. Helaas zijn er honden die niet de tijd krijgen die ze nodig hebben om te leren werken in het tuig. Als ze in een racesituatie worden geplaatst, kunnen ze erg nerveus of zelfs agressief worden als ze nog onvoldoende zelfvertrouwen hebben. Dus het is echt, echt belangrijk dat je op het individuele tempo van je hond meebeweegt als je overweegt om de training die je met je hond doet gaat intensiveren.

 

Mijn eigen pup is op het moment van schrijven 7 maanden oud en we hebben veel getraind, maar het is misschien niet het soort training dat je per se zou verwachten als je het hebt over het trainen van een hond voor tuigsporten. We gaan bijna dagelijks naar nieuwe plekken en houden niet vast aan dezelfde wandelroutes, zodat hij steeds nieuwe dingen tegenkomt. Ik gebruik de spraakopdrachten consequent tijdens al onze wandelingen en ik wil heel graag een goed ‘wacht’-commando in zijn brein krijgen (omdat hij al veel groter en sterker is dan ik had verwacht!) Dus we stoppen regelmatig om dit te versterken. Daarnaast ben ik begonnen met hem tijdens onze wandelingen vrij te laten rennen terwijl ik jog. Onlangs is zijn prooidrift echter begonnen, dus dit heeft de hoeveelheid vrij rennen die hij kan doen beperkt.

Qua tuigje heeft hij vanaf dag 1 een looptuigje en nu begint hij al echt te trekken (zoals hij de anderen ook ziet doen). Ik heb dit niet ontmoedigd. Ik heb thuis een paar van de harnassen bij hem uitgeprobeerd, gewoon om te zien wat hij ervan vindt om iets op zijn rug te hebben, omdat ik denk dat hij uiteindelijk een langer harnas nodig zal hebben. Op dit moment houdt hij er niet van om iets op zijn rug te hebben, dus daar zullen we wat meer aan moeten doen om er zeker van te zijn dat hij straks gewend is aan iets dat over zijn lengte trekt.

We zijn ook naar een paar races geweest om hem de kans te geven zoveel mogelijk honden te ontmoeten, hem te laten wennen aan veel mensen, honden en natuurlijk het lawaai geassocieerd met de start van een race! Ik denk niet dat het belangrijk is om ze hieraan te laten wennen, aangezien het laatste wat je wilt, is dat je hond zich gestrest voelt als hij in het harnas rond andere honden loopt en dus als ze zich al comfortabel en gelukkig voelen in de buurt van veel honden, kan dit alleen maar positief zijn. Ik zorg er ook voor dat Yogi niet met elke hond mag spelen die we zien, omdat dit ook een probleem kan zijn. Je wil tenslotte ook niet dat je hond anderen lastigvalt als je aan het rennen bent; dus het is erg belangrijk ervoor te zorgen dat je hond zich nog steeds op jou blijft concentreren.

 

Behalve dat we de tijd en afstanden van onze wandelingen vergroten en af ​​en toe joggen, hebben we niet veel anders op het gebied van lichaamsbeweging gedaan. Yogi is behoorlijk gegroeid en hij zal behoorlijk lang worden, dus ik wil beperken de hoeveelheid beperken zodat hij later in zijn leven niet lijdt aan te broze of vergroeide botten. Bovenal geniet hij er gewoon van om nog steeds een puppy te zijn. Ik denk dat het van cruciaal belang is om je hond de tijd te geven om puppy te zijn zolang hij nodig heeft en hem niet te snel ergens in te duwen. Het is in ieder geval ook een mooie tijd om elkaar goed te leren kennen, zodat we straks als een goed geolied team kunnen samenwerken.

 

Dus voor nu ben ik blij dat hij leert wat hij moet. Trainen met tuig zal alleen maar toenemen als ik zeker weet dat hij zowel fysiek als mentaal voldoende ontwikkeld is!

 

* 9 tot 12 maanden

We hebben nu het stadium bereikt waarin onze eerste race niet al te ver weg is, we hebben nagedacht over een ‘goed’ tuigje en ook een beetje meer gedaan in termen van daadwerkelijke canicross-training voor Yogi. Het is nog steeds belangrijk om te onthouden dat honden zullen blijven groeien tot en zelfs na de leeftijd van 12 maanden. Zelfs als ze een jaar oud zijn, moet er nog steeds voorzichtig getraind worden met de jonge honden, met aandacht voor hun gewrichten en hun beïnvloedbare geest. Blijf alert op positieve ervaringen en niet al te belastende trainingen.

Yogi was al op zeer jonge leeftijd comfortabel met zijn kortere harnas, maar gezien zijn beweging en vorm, was het vrij duidelijk dat hij beter geschikt zou zijn om in een langer trekharnas te gaan rennen. Yogi is een natuurlijke trekker en ook wanneer hij vrij loopt heeft hij een zeer lange paslengte. Hoewel het kort harnas zijn rennen op geen enkele manier beperkt, zal een langer harnas beter voor hem zijn om op lange termijn de ‘pull’ van zijn beweging goed te kunnen stroomlijnen. Met dit in gedachten begonnen we rond 10 maanden de langere harnassen te passen om te kijken wat het beste bij hem zou passen.

 

We hebben het geluk dat we allerlei harnassen hebben om te proberen, maar als je een uitrusting voor je hond kunt lenen en ze gewoon kunt laten wennen aan verschillende stijlen en lengtes voor je hond, is dit een geweldige manier om te zien wat er goed uitziet en om ze te laten wennen aan een goed hardloopharnas. Veel honden hebben geen langer harnas nodig, maar omdat Yogi de vorm van een hond heeft en atletisch gebouwd is, twijfelde ik er nooit aan dat hij uiteindelijk een langer harnas zou dragen. We lieten hem pas in één rennen toen hij ongeveer 11 maanden oud was.

 

Naast de selectie van harnassen waren we ook bezig met tal van andere kleine stukjes training om Yogi te laten wennen aan het leven in het harnas. We hebben in deze tijd geen grote afstanden afgelegd. Het is belangrijk om elke afstand langzaam op te bouwen om je hond aan te moedigen meer te willen doen. Als je je pup teveel uitput door hem meteen naar buiten te brengen om vervolgens al 5 kilometer in het harnas te laten lopen, zou je kunnen merken dat ze een negatieve associatie krijgen. Het is veel beter om bij korte runs te blijven en ze meer te laten doen, zodat ze opgewonden en blij zullen zijn als het harnas tevoorschijn komt. Je moet er ook voor zorgen dat ze niet overbelast raken. Net als mensen kunnen ook honden pijn en vermoeidheid in spieren en gewrichten voelen, dus houd hier goed rekening mee tijdens het trainen.

Andere dingen die we gedaan hebben om trainen leuk te maken, is door te variëren met wat we elke dag doen. Yogi heeft hardgelopen in bossen, door velden, door water, heuvels op, door enkeldiepe modder en het is allemaal een goede ervaring voor hem om te leren dat niets eng is en dat we tijdens een run of race ook elk type oppervlak kunnen tegenkomen. Met Yogi hebben we getraind door modder, water, sneeuw, velden, bossen en op zoveel mogelijk verschillende oppervlakken als we kunnen vinden; gras, baan en zelfs zeer korte stukken op asfalt om ervoor te zorgen dat hij niet wordt gehinderd door iets dat we tijdens een route zouden kunnen tegenkomen.

 

Maar hoe zit het met andere honden? We hebben veel gesocialiseerd met Yogi om ervoor te zorgen dat hij vriendelijk is en goed met andere honden omgaat, maar we hebben ook momenten gehad waarop hij andere honden moest negeren en zich moest concentreren op zijn werk. Om eerlijk te zijn, is hij erg geïnteresseerd in het zeggen van ‘hallo’ tegen andere honden als hij uit is, maar ik heb dit actief ontmoedigd terwijl hij aan in het tuig zit, omdat dit geen acceptabel gedrag is tijdens een race en het is niet iets waar ik mee te maken wil hebben wanneer Ik hem uiteindelijk voor de fiets heb! We hebben een paar keer vrienden ontmoet die honden hebben die Yogi alleen van tijd tot tijd ziet en hij is aangemoedigd om ze te negeren tijdens het rennen, maar hij mag met ze spelen als hij niet in een ‘werkende’ situatie is en dit lijkt goed te werken.

Bij het trainen van een jonge hond is het altijd handig om met andere ervaren hun bekende honden te ‘daten’ om van te leren. Wij hebben ontdekt dat dit het beste werkt. Dat is niet zo handig als dit je enige hond is, maar met zoveel canicross-groepen om mee af te spreken, zou het geen probleem moeten zijn om vrienden te vinden met honden die erg gefocust zijn en die je kunt ontmoeten om mee te doen voor een ‘sociale run’. Of je plaatst een oproepje voor hulp op de Facebookpagina van Canitrailers.  Ik heb ontdekt dat Yogi voldoende zelfvertrouwen heeft en het verschil kent tussen ‘werken’ en het samen rennen met de andere honden die ook niet aangelijnd zijn. Ik heb hem onlangs ook een keer meegenomen naar een nachttrail en laten rennen met een paar andere honden die hij niet kende. Hij gedroeg zich heel goed, passeerde zonder te proberen te interfereren met een andere hond en neemt de leiding als dat nodig is, dus hij heeft geleerd om vooraan te rennen en niet te jagen.

 

Bij het trainen van een hond op deze leeftijd is het ook belangrijk om te bedenken dat dit soort focus vermoeiend is.  Als ik Yogi heb gevraagd echt na te denken over wat hij aan het doen is, is hij daarna moe, dus geef je jonge hond voldoende rust na afloop. Je hebt hopelijk een lange en gelukkige loopcarrière met je pup, dus het is niet nodig om dingen te overhaasten of heel veel training te proppen in een te kort tijdsbestek. Ze kunnen blijven leren ‘on the job’ zolang de basis maar aanwezig is en jij hebt vervolgens een gelukkige en zelfverzekerde hond die het heerlijk vindt om te rennen.

 

Samenvattend raden we aan:
* Train heel regelmatig en wacht tot je hond zowel fysiek als mentaal ontwikkeld is voordat je hem vraagt ​​​​om met je in het harnas te rennen.

 

* Zorg ervoor dat je eerst de basis hebt gelegd; socialisatie en het aanleren van commando’s zijn twee belangrijke dingen die cruciaal voor een gelukkig en gefocuste pup.

 

* Forceer je hond nooit, ga niet over zijn buiten zijn mogelijkheden en grenzen en wordt nooit boos als ze iets niet doen wat je wilt; ga terug naar de basis en begin vervolgens opnieuw als je merkt dat je problemen hebt.

 

* Ontmoet zoveel mogelijk anderen en laat je hond leren van ervaren canicrossers/ canitrailers en hun honden. Het delen van kennis, ervaring en tips kan een groot verschil maken voor hoe je aan de slag gaat.

 

We hopen dat deze (zeer korte) gids interessant is geweest en dat je wat handvatten hebt om met je pup aan de slag te gaan zodat jullie samen een leven lang heel veel plezier zullen beleven aan het samen hardlopen op de trails J

(Vertaling van de drie engelse artikelen die te lezen zijn op de website van K9 Trail Time)

 

Gebruiken mens en hond dezelfde energiesystemen?

Als hardlooptrainer voor honden en mensen verdiep ik mij graag in de basis van het hardlopen. Want waar haal ik en mijn hond de energie vandaan om langere afstanden af te kunnen afleggen. Hoe train ik dat dan? En wat beïnvloedt die energiesystemen?
Maar nog essentiëler vind ik de vraag of de hond en de mens, beide zoogdieren, dezelfde energiesystemen gebruiken….Mijn zoektocht tot nu toe leverde onderstaande bevindingen op die ik graag met jullie wil delen. Een zoektocht die wat mij betreft nog steeds niet kaar is want er zijn nog heel wat onderzoeken niet gedaan op dit onderwerp.
c

De vier energiesystemen van de mens
Het menselijk lichaam heeft een motor die bestaat uit de spieren en het hart-longsysteem. Als je intensiever gaat inspannen hebben je spieren meer zuurstof nodig omdat er sneller energie vrij moet komen. Daarom gaat je hartslag omhoog bij fysieke inspanning: je hart pompt meer zuurstof naar je spieren. In het begin ga je dieper ademen, maar niet sneller. Er komt vanzelf een punt (als je blijft versnellen) dat je niet meer dieper kunt ademen, maar je bovenbenen wel meer zuurstof vragen. Dat is het moment dat je sneller gaat ademen. Dit is het moment dat de trainingsprikkel begint, boven deze inspanning ga je conditie opbouwen: je aerobe drempel. Dit heet de aerobe drempel omdat je met veel zuurstof vooral je vetten als brandstof aan kunt spreken. Deze intensiteit kun je wel vier tot zes uur volhouden. Blijf je na de aerobe drempel versnellen, dan kom je op je anaerobe drempel. Je gaat minder diep ademen en exponentieel sneller, melkzuur hoopt zich op en deze inspanning houd je ongeveer een uur vol en je verbrandt vooral glycogeen.

Om te lopen heeft je motor dus energie nodig. Er zijn vier brandstoffen, namelijk ATP, Creatine Fosfaat, Glycogeen en Vet. Voor de duursporten zijn vooral glycogeen en vet interessant. Het nadeel van vet is dat het langzaam vrij komt en er veel zuurstof nodig is om het vet te kunnen verbranden. Dus vet als brandstof geeft nooit direct energie. Als je rustig loopt kun je prima de vetten gebruiken als brandstof, maar als je wil gaan versnellen heb je een andere brandstof nodig, namelijk glycogeen.

De eigenschap van vetten is dat het energiezuinig is. Je doet er lang mee en de verbranding verloopt rustig. Glycogeen, oftewel energiesnelle suikers, vallen onder de tragere koolhydraten. Dit glycogeen ligt opgeslagen in de lever en rond de spieren. Een goed getrainde loper kan op maximaal glycogeengebruik ongeveer 1,5 uur tot 2 uur  lopen. Beide systemen blijven ten alle tijde actief, dus het is een fabeltje dat je ene systeem ( glycogeen) wordt ingeschakeld als je andere systeem (vetten) niet meer meedoet. Beide systemen blijven actief omdat de zuurstofopname evenredig stijgt met de oplopende belasting.

 

In onze spiercellen, om precies te zijn in de mitochondriën, wordt de energie geproduceerd. Daarbij kunnen de cellen gebruik maken van 4 energiesystemen, namelijk

1. Het Adenosinetrifosfaat (CP-ATP) systeem
2. Het Anaerobe Glycolyse systeem
3. Het Aerobe Glycolyse systeem
4. Het Aerobe Vetzuren systeem

 

  1. Het Adenosinetrifosfaat (CP-ATP) systeem is een energiebron voor de hele korte sprint waarbij de energieborn ATP energie en ADP levert. Kenmerkend aan dit energiesysteem is de geringe voorraad energie die je voor circa 10 seconden kunt inzetten op maximale snelheid in een sprint.
  2. Het Anaerobe Glycolyse systeem is een belangrijke energiebron voor de middenafstanden waarbij het glycogeen wordt afgebroken en daarbij melkzuur en energie levert. Kenmerkend aan dit energiesysteem is de beperkte voorraad die je voor enkele minuten energie levert voor middellange afstanden op hoge snelheid.
  3. Het Aerobe Glycolyse systeem is de voornaamste energiebron voor de lange afstanden waarbij glycogeen met zuurstof samen een enorme energie met koolstofdioxide en zuurstof oplevert. Kenmerkend aan dit energiesysteem is de grote voorraad energie die je voor enkele uren kunt inzetten voor een lange afstand op duurtempo.
  4. Het Aerobe Vetzuren systeem is de voornaamste energiebron voor de echte diesels waarbij vetzuur met grote hoeveelheden zuurstof wordt afgebroken tot grote hoeveelheden energie, koolstofdioxide en zuurstof. Kenmerkend aan dit energiesysteem is de zeer grote voorraad die je vele dagen kunt inzetten voor extreem lange afstanden op laag tempo met een hoger zuurstofverbruik.

Sprinters gebruiken vooral ATP als brandstof en langeafstandlopers gebruiken de aerobe omzetting van vetzuren en glycogeen. De inzet van de 4 energiesystemen is de verklaring voor de afname van het vermogen met de tijd die Pete Riegel gevonden heeft. In de grafiek hebben we inzichtelijk gemaakt hoe de inzet van de 4 energiesystemen in de praktijk als functie van de inspanningsduur verloopt.

 

Uit “Lopen op Vermogen” van Ron van Megen en Hans van Dijk.

 

Hoe zit het bij honden? Gebruiken die ook de 4 energiesystemen zoals bij mensen?
Honden zijn van nature uithoudingsvermogen-dieren. Ze hebben een hoog oxidatievermogen en zijn goed aangepast aan uithoudingsactiviteiten. Er is zelfs een discussie of honden spiervezels hebben die volledig anaëroob zijn! Dat betekent echter niet dat het cardiovasculaire uithoudingsvermogen niet kan worden verbeterd. Aërobe cardiovasculaire conditionering zal het hartslagvolume, de bloedstroom en de zuurstofopname verhogen, terwijl de hartslag in rust wordt verlaagd.

Om meer te weten over het aerobe of anaerobe vermogen van de hond wil ik verwijzen naar het artikel “Exercise physiology of the Canine Athlete” van Ralp Millard uit 2016. Een goed algemeen begrip over de fysiologische functie van het lichaam van de hond is belangrijk als basis om te begrijpen hoe je hond z’n systemen inzet tijdens het canitrailen. Honden blijken skeletspieren te hebben met superieure oxidatieve capaciteiten. Zelfs de minst oxidatieve spiervezels bij honden hebben een aanzienlijk vermogen tot aëroob metabolisme in vergelijking met snelle vezels van andere soorten.

Het lijkt er volgens onderzoeken dus op dat honden veel minder als mensen gebruik maken van het op glycogeen gebaseerde systeem en meer op het op vetzuren gebaseerde energiesysteem. De vier energiesystemen die gebaseerd zijn op de mens zijn dus niet exact hetzelfde als de energiesystemen van de hond.Er zijn wezenlijke verschillen.

In plaats van glycogeen gebruiken sledehonden andere energiebronnen zoals spiertriglyceriden (de reeds aanwezige vetvoorraad in de cellen). Honden zijn waarschijnlijk in staat tot deze vorm van metabolisme vanwege hun aangeboren vermogen om vrije vetzuren te gebruiken, hun vermogen om hoge niveaus van training in uithoudingsactiviteiten uit te voeren en de consumptie van een dieet met een hoog percentage vet als een van de componenten. De skeletspier van honden bestaat voornamelijk uit spiervezels van type I, IIA en IIAX, die allemaal in staat zijn tot een hoog oxidatief metabolisme. Zeer aerobe zoogdieren zoals honden hebben een verhoogd vermogen om op vet gebaseerde substraten te gebruiken voor het energiemetabolisme.  Het vetrijke, eiwitrijke dieet van sledehonden kan helpen om de spierglycogeenvoorraden te behouden tijdens het sporten.

Het is vrij algemeen aanvaard dat de skeletspier van honden een relatief hoog vermogen heeft tot aëroob metabolisme. Het is waarschijnlijk dat honden veranderingen in het spiervezeltype ervaren als reactie op inspanning. Echter het gebrek aan verandering in capillaire dichtheid in skeletspieren na duurtraining suggereert dat microcirculatie van ongetrainde jachthonden al voldoende is om te voldoen aan de eisen van duurtraining of dat de overbelasting die nodig is om veranderingen te bevorderen in deze onderzoeken niet werd bereikt. Zelfs ongetrainde honden hebben een hoge aerobe capaciteit en lijken genetisch aangepast te zijn voor efficiënte zuurstofextractie en -gebruik. Het is echter belangrijk om een ​​ongetrainde hond niet te verwarren met een zittende, inactieve of zwaarlijvige hond.

Duurtraining is echter waarschijnlijk zeer gunstig voor de algehele gezondheid van honden en een verbeterde atletische functie. Krachttraining vergroot de omvang van type II-vezels meer dan type I. Training met hoge weerstand verhoogt het aantal contractiele eiwitten in type II-vezels, waardoor het dwarsdoorsnede-oppervlak en de kracht die ze kunnen genereren, toenemen. Men denkt dat de vergroting van spieren die optreedt bij krachttraining meestal optreedt als gevolg van hypertrofie van spiervezels en niet van hyperplasie (toevoegen van spiervezels). Kracht bij honden heeft voornamelijk te maken met snelheid en het vermogen om lasten te dragen of te trekken. Kracht is ook belangrijk voor honden die zeer snel moeten accelereren en vertragen, zoals honden die deelnemen aan behendigheidswedstrijden. Net als kracht wordt de sprintsnelheid ook het meest beïnvloed door type II spiervezels.

Kortdurende trainingsprogramma’s met maximale intensiteit zijn het meest geschikt om een ​​toename van kracht of snelheid te bevorderen. Naast het conditioneren van de spieren van de ledematen is het ook belangrijk om te focussen op de wervelkolomspieren. Tijdens sprintoefeningen is waargenomen dat de wervelkolomspieren als een van de eersten vermoeid raken. Lopen op een helling op de loopband en bergopwaarts sprinten zijn goede activiteiten om de spieren te versterken, inclusief de wervelkolomspieren. Andere versterkende oefeningen zijn rennen of racen, weerstandsbelastingen trekken of dragen, tegen iets in zwemmen en draven of rennen op hellingen of trappen. Het uitvoeren van krachttraining kan de grootte van spiergroepen en de kracht die ze kunnen genereren vergroten.

Er is zoals blijkt uit het artikel al veel wel onderzocht maar ook nog heel veel niet. Ik vroeg mij af of de energiesystemen van de mens dezelfde waren als de energiesystemen van de hond. Mijn conclusie tot nu toe is…NEE. Er zijn overeenkomsten maar het energiesysteem van onze lieve viervoeters is anders als die van mensen. Omdat de honden wezenlijk een ander energiesysteem gebruiken tijdens het canitrailen is het natuurlijk ook logisch om de voeding daarop aan te passen. uiteraard is dat weer een ander onderwerp maar wel een logisch gevolg van….

c


VERTALING: Voor wie meer hierover wil weten heb ik een vertaling van een deel van het artikel toegevoegd:

A. Skeletspiercellen
Skeletspiercellen spelen een grote rol bij lichaamsbeweging en het bepalen van atletische prestaties, en het is belangrijk om de structuur en functie ervan te begrijpen. Het spierstelsel is een verzameling samentrekkende eenheden die de krachten leveren om verschillende functies uit te voeren, zoals voortbeweging, houding, ademhaling en bloedsomloop. De drie soorten spieren in het lichaam zijn de skeletspier, de gladde spier en de hartspier. Deze sectie richt zich op de skeletspierfysiologie.Skeletspieren worden ingedeeld in typen op basis van de specifieke individuele contractiele en metabolische eigenschappen van elke cel. Een algemeen classificatieschema verdeelt spiervezels op basis van hun contractiesnelheid, wat het resultaat is van hun contractiele en metabolische eigenschappen. Over het algemeen worden spiervezels beschouwd als slow twitch (type I) of fast twitch (type II). Type I-vezels bevatten hogere niveaus van oxidatieve enzymen, myoglobine en mitochondriën en zijn zeer geschikt om aerobe activiteiten uit te voeren en vermoeidheid te weerstaan. Type II-vezels hebben kleinere hoeveelheden oxidatieve enzymen en beperkte aerobe mogelijkheden. Type II-vezels bevatten echter grote hoeveelheden glycolytische enzymen voor het anaërobe metabolisme en zijn in staat hogere spanningsniveaus en verkortingssnelheid te genereren, maar zijn veel minder bestand tegen vermoeidheid dan type I-vezels.Honden zijn vrij uniek omdat hun snelle vezels, naast de aerobe eigenschappen van slow twitch-vezels, ook aanzienlijke oxidatieve eigenschappen hebben. Er is zelfs significant bewijs dat suggereert dat er geen puur glycolytische spiervezels aanwezig zijn in de skeletspieren van de romp en ledematen van honden. Er is gesuggereerd dat de enige locatie van type IIB-spiervezels bij honden in de larynxspieren (in het strottenhoofd) is. Er wordt aangenomen dat eerdere onderzoeken die alleen op immunokleuring waren gebaseerd, hebben geleid tot een verkeerde classificatie van spiervezels. Nieuwere studies hebben elektroforese, immunoblots, immunohistochemie en beeldanalyse geïmplementeerd om spiervezels van honden te karakteriseren.Momenteel worden vijf belangrijke vezeltypes beschreven in de romp- en ledematenspieren van honden, waaronder drie zuivere vezels (I, IIA en IIX) en twee hybride vezels (I+IIA en IIAX). De oxidatieve/glycolytische verhouding van hondenspiervezels neemt af van type I (hoogste) naar IIX (laagste). Type IIA is intermediair, met beide hybriden tussen hun respectievelijke zuivere isovormen. De afname van het oxidatieve vermogen van type I naar type IIX is drie tot vier keer minder dan bij andere zoogdieren, wat een andere bevinding is die de superieure oxidatieve capaciteit van de skeletspieren van honden ondersteunt. Zelfs de minst oxidatieve spiervezels bij honden hebben een aanzienlijk vermogen tot aëroob metabolisme in vergelijking met snelle vezels van andere soorten. De maximale verkortingssnelheid van spiervezels van honden neemt toe van type I (traagste) naar type IIX (snelste).

c

B. Spierpijn en Vermoeidheid
Vermoeidheid is een disbalans tussen de ATP-behoefte van de spieren en het vermogen om ATP te produceren
. Tijdens inspanning neemt de behoefte aan ATP door skeletspieren dramatisch toe. Omdat de componenten die nodig zijn om ATP-niveaus te regenereren uitgeput raken, is er minder ATP beschikbaar om energie te leveren voor aanhoudende spiercontractie, wat resulteert in een onvermogen om te oefenen of te presteren op hetzelfde niveau of tempo als voorheen. Fosfaat is een van de componenten die nodig zijn voor de vorming van ATP. Wanneer ATP-vorming de ATP-consumptie niet kan bijhouden, hopen zich overmatige anorganische fosfaationen op in de spiercel. Hoge concentraties fosfaationen kunnen direct interfereren met de kruisbrugging van actine en myosine, en ook de calciumafgifte uit het sarcoplasmatisch reticulum remmen. Melkzuur (lactaat) is een eindproduct van het glucosemetabolisme via de glycolytische route. Lactaat wordt gevormd tijdens omstandigheden van onvoldoende zuurstoftoevoer naar spieren of door spiervezels met een laag aantal mitochondriën. Ophoping van melkzuur als gevolg van anaëroob metabolisme in spiercellen kan ook enzymen remmen die betrokken zijn bij de productie van ATP.

Glycogeen is een belangrijke energiebron die tijdens inspanning wordt gebruikt. Uitputting van spierglycogeen is een kritieke factor die verband houdt met vermoeidheid bij topsporters tijdens langdurige inspanning.  Sledehonden zijn een goed voorbeeld van een topsporter. Canne-atleten met een hoog uithoudingsvermogen kunnen een opmerkelijk vermogen hebben om de spierglycogeenconcentraties te handhaven tijdens perioden van langdurige inspanning. Ondanks de beperkte inname van koolhydraten ontwikkelden sledehonden die gedurende 5 opeenvolgende dagen 160 km (99,4 mijl) per dag renden, geen cumulatieve spierglycogeendepletie.
Op de eerste trainingsdag was er een afname van het spierglycogeengehalte; elk van de volgende trainingsperioden resulteerde echter in een stabiel spierglycogeengehalte, dat hoger was dan het gehalte na de eerste dag. Er is vastgesteld dat spierglycogeenbehoud bij duursporters, zoals sledehonden, optreedt als gevolg van verzwakking van uitputting in plaats van snelle aanvulling. Tijdens het eerste deel van meerdaagse duurraces gebruiken sledehonden een aanzienlijk deel van de spiermassa glycogeen. Op de daaropvolgende dagen gebruiken ze slechts een klein percentage van hun resterende spierglycogeenvoorraden. In plaats van glycogeen gebruiken sledehonden andere energiebronnen zoals spiertriglyceriden.

Honden zijn waarschijnlijk in staat tot deze vorm van metabolisme vanwege hun aangeboren vermogen om vrije vetzuren te gebruiken, hun vermogen om hoge niveaus van training in uithoudingsactiviteiten uit te voeren en de consumptie van een dieet met een hoog percentage vet als een van de componenten. De skeletspier van honden bestaat voornamelijk uit spiervezels van type I, IIA en IIAX, die allemaal in staat zijn tot een hoog oxidatief metabolisme. Zeer aerobe zoogdieren zoals honden hebben een verhoogd vermogen om op vet gebaseerde substraten te gebruiken voor het energiemetabolisme.  Het vetrijke, eiwitrijke dieet van sledehonden kan helpen om de spierglycogeenvoorraden te behouden tijdens het sporten.

Evaluatie van gevaste ratten die aan verschillende perioden van herhaalde inspanning werden onderworpen, toonde vergelijkbare resultaten van spierglycogeenbehoud, wat suggereert dat metabolische aanpassingen bepaalde soorten, zoals honden, in staat stellen spierglycogeenvoorraden te behouden tijdens perioden van herhaalde inspanning. Er kan een kritische concentratie van spierglycogeen zijn die het lichaam beschermt tegen overmatige consumptie tijdens herhaalde inspanning. Vergeleken met mensen kunnen geconditioneerde hondensporters een voordeel hebben met betrekking tot langdurige inspanning op basis van hun zeer aerobe metabolisme en het vermogen om alternatieve substraten te gebruiken voor energie en onderhoud van spierglycogeenvoorraden.
c

C. Conditionering en training van skeletspieren
Conditionering van skeletspieren omvat het uitvoeren van fysieke oefeningen die de spieren voorbereiden op de specifieke taak die ze moeten uitvoeren. Training heeft betrekking op het incorporeren van de specifieke oefening in het type sportevenement of activiteit waar de hond bij betrokken zal zijn. Een deel van de training omvat ook gedragsverandering die nodig is om de specifieke activiteit uit te voeren. Tijdens inspanningstraining worden atleten vaak gepusht om een ​​activiteit uit te voeren totdat ze fysiek niet meer in staat zijn om door te gaan. Dit wordt gewoonlijk het overbelastingsprincipe genoemd, dat verwijst naar de noodzaak dat een systeem wordt uitgeoefend op een niveau dat verder gaat dan het effect dat training gewend is. Door het systeem in een overbelaste toestand te plaatsen, past het zich aan nieuwe omstandigheden aan, waardoor het systeem beter in staat is om een ​​taak op een hoger prestatieniveau uit te voeren. Dit principe is van toepassing op het cardiovasculaire systeem, het bewegingsapparaat en andere lichaamssystemen. Factoren die overbelasting beïnvloeden, zijn onder meer de intensiteit, duur en frequentie van een bepaalde oefening. De meeste soorten oefentraining kunnen worden onderverdeeld in duur- of krachttraining. Het is belangrijk dat bij de training gebruik wordt gemaakt van de systemen en structuren die bij de activiteit betrokken zijn. Dit is een trainingsprincipe dat specificiteit wordt genoemd. Een hond die bijvoorbeeld deelneemt aan een sport waarbij hij moet trekken, zou er beter aan doen om te rennen terwijl hij tegen weerstand in trekt, in plaats van langdurig te draven op een loopband. Bij mensen resulteert het deelnemen aan trainingsactiviteiten die gericht zijn op specifieke spiergroepen in aanpassingen in de spiertypes waarop wordt getarget. Uithoudingsoefeningen, zoals het lopen van lange afstanden met een submaximale hartslag, verhogen bijvoorbeeld het vermogen om op een aerobe manier energie te produceren door de haarvaten en mitochondriën te vergroten, vooral in type I-spiervezels.

Een hoog uithoudingsvermogen is erg belangrijk bij honden die deelnemen aan langdurige lichaamsbeweging, zoals sporthonden, hoeden en honden die op lange afstand racen. Uithoudingsvermogen heeft betrekking op het vermogen van een spier of een groep spieren om veel herhalingen van samentrekking te ondergaan bij lage belasting. Duurtraining richt zich meestal op specifieke spiergroepen die betrokken zijn bij de specifieke actie en duurt lang, meestal langer dan 15 minuten. Duuroefeningen voor honden omvatten draven, rennen, zwemmen, land- en onderwaterloopbandactiviteiten en sleeën over lange afstanden. Eerder werd aangenomen dat duurtraining niet leidt tot een toename van type I-spiervezels. Meer recent onderzoek geeft aan dat langdurige duurtraining een verschuiving van type II-spiervezels naar type I bij mensen kan bevorderen. Andere veranderingen die verband houden met langdurige duurtraining zijn onder meer een toename van de capillaire dichtheid en vasculariteit van spierweefsel, waardoor de afgifte van zuurstof toeneemt.

 

De kwestie van de conversie van het spiervezeltype na duurtraining bij mensen blijft enigszins controversieel, maar kan worden verklaard door het feit dat spiervezels worden geclassificeerd door ze te kleuren en omdat hun aerobe capaciteiten zijn veranderd, vezels die in classificatie op het randje stonden, kunnen “verschuiven” in een andere categorie.

Studies hebben de aanpassing van de skeletspieren bij honden geëvalueerd tijdens perioden van duurtraining. Een studie van jachthonden die uithoudingsoefeningen ondergingen, toonde niet de biochemische en histochemische aanpassingen in skeletspieren die zijn gevonden in sommige onderzoeken waarbij mensen betrokken waren. Foxhounds lieten geen veranderingen zien in de activiteit van succinaatdehydrogenase (SDH), spiervezeltype of capillaire dichtheid van skeletspieren na een duurtrainingsprogramma van 12 weken. Deze bevindingen contrasteren met die van mensen, die na duurtraining wel detecteerbare skeletspieraanpassingen ondergaan. SDH is een maat voor de oxidatieve capaciteit van een spier. Er was geen verschil in SDH-activiteit, spiervezelkleuring of capillaire dichtheid bij getrainde en ongetrainde jachthonden, wat suggereert dat een ongetrainde hond al goed geschikt is om het zeer oxidatieve metabolisme van duurtraining te ondersteunen, of dat het trainingsprogramma dat in dat onderzoek werd gebruikt, was niet uitdagend genoeg om te resulteren in spiervezelveranderingen. Het ontbreken van een verandering in de kleuring van het vezeltype na duurtraining kan de theorie ondersteunen dat honden, zoals jachthonden, tijdens inspanning sterk afhankelijk zijn van het oxidatieve enzymmetabolisme, onafhankelijk van het patroon van rekrutering van motoreenheden.

 

Een andere studie concludeerde echter dat duurtraining een verschuiving van type II- naar type I-spiervezels kan veroorzaken. Beagles die 5 dagen per week gedurende 55 weken op een loopband trainden, toonden een toename van type I-vezels in de thoracale spinale spieren en de triceps-spier. Het unieke karakter van de skeletspier van honden en de tekortkomingen van verschillende kleurings- en beeldvormingstechnieken hebben de classificatie van de skeletspier van honden tot een moeilijke taak gemaakt, laat staan ​​het classificeren van veranderingen als gevolg van duurtraining. Het is vrij algemeen aanvaard dat de skeletspier van honden een relatief hoog vermogen heeft tot aëroob metabolisme. Het is waarschijnlijk dat honden veranderingen in het spiervezeltype ervaren als reactie op inspanning; enkele van de gedeelde kenmerken van type I en type II vezels bij honden hebben echter geleid tot verkeerde classificatie, en daarom onzekerheid in mogelijke veranderingen in spieren en hun vezeltypes.1 Nieuwere technieken die worden gebruikt om hondenspiervezeltypes te identificeren, kunnen inzicht verschaffen in de identificatie van mogelijke conversie van het vezeltype als gevolg van duurtraining. Naast een gebrek aan concreet bewijs ter ondersteuning van de theorie van de conversie van het spiervezeltype, hebben honden die uithoudingsoefeningen ondergaan in sommige onderzoeken geen toename laten zien van de capillaire dichtheid van de spieren, de capillaire vezelverhouding of de capillaire oppervlakte tot vezelverhouding. Het gebrek aan van een verandering in capillaire dichtheid in skeletspieren na duurtraining suggereert dat microcirculatie van ongetrainde jachthonden al voldoende is om te voldoen aan de eisen van duurtraining of dat de overbelasting die nodig is om veranderingen te bevorderen in deze onderzoeken niet werd bereikt. Zelfs ongetrainde honden hebben een hoge aerobe capaciteit en lijken genetisch aangepast te zijn voor efficiënte zuurstofextractie en -gebruik.

 

Het is echter belangrijk om een ​​ongetrainde hond niet te verwarren met een zittende, inactieve of zwaarlijvige hond. Er is een gebrek aan onderzoeken naar veranderingen in de skeletspieren bij sedentaire honden of honden met overgewicht na het ondergaan van een training. Het is waarschijnlijk dat ongetrainde maar actieve honden voordelen hebben ten opzichte van sedentaire of zwaarlijvige honden op cellulair niveau van skeletspieren. Significante biochemische en histochemische veranderingen moeten nog worden gedocumenteerd bij sedentaire honden na het ondergaan van een duurtraining. Duurtraining is echter waarschijnlijk zeer gunstig voor de algehele gezondheid van honden en een verbeterde atletische functie. Misschien kunnen toekomstige studies voorheen onbekende aanpassingen van de skeletspieren van honden ontdekken, die uniek verschillen van die van mensen en andere soorten.

Andere aanpassingen en veranderingen in lichaamssystemen treden op na duurtraining die waarschijnlijk betere prestaties tijdens inspanning mogelijk maken. Hoewel er mogelijk geen specifieke biochemische of histochemische verandering in spieren is, is er enige ondersteuning dat uithoudingsoefening de functionele gasuitwisselingseigenschappen van bloedweefsel van skeletspieren bij honden kan verbeteren. Uit een onderzoek waarin uithoudingsgetrainde honden en honden met één ledemaat geïmmobiliseerd werden geëvalueerd, bleek dat uithoudingsgetrainde honden een verhoogde VO2 max hadden bij een constante snelheid van zuurstofafgifte, voornamelijk als gevolg van een verhoogde zuurstofdiffusiegeleiding (DO2) in de skeletspieren. Een interessante ontdekking was echter dat er ondanks een afname van het spiergewicht met 31% geen verschil was in VO2 of DO2 tussen geïmmobiliseerde honden en een controlegroep tijdens inspanning.

 

Kracht van spier verwijst naar de maximale kracht die een spier of een groep spieren kan genereren tijdens één herhaling. Spierkracht gaat gepaard met een toename van de spieromvang (hypertrofie). Type II-spiervezels zijn in staat om meer kracht per dwarsdoorsnede te ontwikkelen en met een hogere snelheid samen te trekken dan type I-vezels. Krachttraining vergroot de omvang van type II-vezels meer dan type I. Training met hoge weerstand verhoogt het aantal contractiele eiwitten in type II-vezels, waardoor het dwarsdoorsnede-oppervlak en de kracht die ze kunnen genereren, toenemen. Men denkt dat de vergroting van spieren die optreedt bij krachttraining meestal optreedt als gevolg van hypertrofie van spiervezels en niet van hyperplasie (toevoegen van spiervezels). Kracht bij honden heeft voornamelijk te maken met snelheid en het vermogen om lasten te dragen of te trekken. Kracht is ook belangrijk voor honden die zeer snel moeten accelereren en vertragen, zoals honden die deelnemen aan behendigheidswedstrijden. Net als kracht wordt de sprintsnelheid ook het meest beïnvloed door type II spiervezels.

De verdeling van bepaalde vezeltypes is ook afhankelijk van genetische factoren. Sprintrassen, zoals windhonden, hebben een groter percentage type II-spiervezels, terwijl rassen zoals foxhounds grotere percentages type I-vezels hebben en meer bedreven zijn in uithoudingsvermogen. Kortdurende trainingsprogramma’s met maximale intensiteit zijn het meest geschikt om een ​​toename van kracht of snelheid te bevorderen. Naast het conditioneren van de spieren van de ledematen is het ook belangrijk om te focussen op de wervelkolomspieren. Tijdens sprintoefeningen is waargenomen dat de wervelkolomspieren als een van de eersten vermoeid raken. Lopen op een helling op de loopband en bergopwaarts sprinten zijn goede activiteiten om de spieren te versterken, inclusief de wervelkolomspieren. Andere versterkende oefeningen zijn rennen of racen, weerstandsbelastingen trekken of dragen, tegen jets in zwemmen en draven of rennen op hellingen of trappen. Het uitvoeren van krachttraining kan de grootte van spiergroepen en de kracht die ze kunnen genereren vergroten. Het tegenovergestelde is waar als de skeletspier wordt blootgesteld aan perioden van onbruik of immobilisatie. Onder deze omstandigheden ondergaan de spieren atrofie en verminderde spierkracht van de ledemaat. Een studie die spieratrofie als gevolg van immobilisatie evalueerde, vond dat immobilisatie van het achterbeen gedurende een periode van 10 weken de diameter van type II-vezels met 50% en type I-vezels met 35% verminderde in de vastus lateralis-spier en maximale productie van tetanische torsie door de aangedane ledemaat nam met 50% af. Toen ze uit de geïmmobiliseerde toestand werden verwijderd, vergrootten groeihormonen de spiervezels en de sterkte van de eerder geïmmobiliseerde ledemaat tijdens de herstelperiode significant meer dan een controlegroep.

c

D. Het cardiovasculaire systeem
Het primaire doel van het cardiovasculaire systeem is het leveren van zuurstof en voedingsstoffen aan de weefsels van het lichaam, het verwijderen van afvalstoffen en het helpen bij temperatuurregulatie. Om deze taken uit te voeren, werkt het cardiovasculaire systeem samen met het ademhalingssysteem. Tijdens inspanning moet het hartminuutvolume toenemen in verhouding tot de toename van de stofwisseling. Bij menselijke atleten is er een lineair verband tussen het percentage maximale zuurstofopname (VO2 max) en het hartminuutvolume. Het hartminuutvolume is de hoeveelheid bloed die elke minuut door het hart in de aorta wordt gepompt en wordt bepaald door het product van de hartslag en het per hartslag uitgestoten bloedvolume (slagvolume). Dit bepaalt op zijn beurt de hoeveelheid bloed die door de bloedsomloop stroomt. Een verhoogde vraag naar zuurstof en voedingsstoffen door skeletspieren tijdens inspanning vereist een toename van het hartminuutvolume en herverdeling van bloed van inactieve organen naar actieve skeletspieren.

Er is onderzoek gedaan naar het effect van inspanning op het cardiovasculaire systeem van honden. Net als bij mensen zijn er veranderingen in het cardiovasculaire systeem van honden nodig om te voldoen aan de metabole behoeften van skeletspieren tijdens inspanning. Sledehonden, enkele van de meest elite hondenatleten, hebben tijdens maximale inspanning onschatbare informatie opgeleverd over het cardiovasculaire systeem. De hartslag van sledehonden kan dramatisch toenemen bij het begin van de training. De hartslag kan toenemen van een rustfrequentie van 50 slagen per minuut tot 300 slagen per minuut en blijft tussen de 250 en 300 slagen per minuut tijdens een duurloop van 60 minuten. Foxhounds die trainen op een loopband vertonen vergelijkbare trends in hartslagveranderingen. De hartslag blijft toenemen naarmate honden worden onderworpen aan toenemende niveaus van submaximale lichaamsbeweging. Wanneer jachthonden een staat van maximale inspanning op de loopband bereiken (ongeveer 12 km/u op een helling van 28%), nadert de hartslag 300 slagen per minuut. Bij het vergelijken van de hartslag van getrainde en ongetrainde jachthonden op verschillende niveaus van submaximale inspanning, hebben getrainde honden gemiddeld een hartslag die 14 slagen per minuut lager is dan ongetrainde honden op elk niveau van gemeten submaximale inspanning.

 

Zoals al eerder benoemd is dit to nu toe wat ik tijdens mijn zoektocht heb gevonden en kan delen. Uiteraard zijn tips over andere artikelen mbt dit onderwerp van harte welkom.

 

 

 

 

 

 

Canitrailen? Train je Gluteus Maximus

Voor iedere hardloper, trailer of canitrailer zijn specifieke spiergroepen van essentieel belang om blessures te voorkomen.
Een van de belangrijkste spiergroepen voor canitrailers zijn de bilspieren. De heupgordel wordt geplaatst op de Gluteus Maximus om de trekkracht van je hond goed op te kunnen vangen, je onderrug en knieën te ontlasten en om de kracht om te zetten in de juiste voorwaartse hardloopbeweging in plaats van continu op de rem te staan.

Onze billen bestaan uit drie spieren:
1. Gluteus Maximus (grote bilspier)
2. Gluteus Medius (middelgrote bilspier)
3. Gluteus Minimus (kleine bilspier)

De Gluteus Minimus is een kleine, waaiervormige spiergroep die diep in de bil verstopt ligt. De spier hecht aan het bekken en loopt naar beneden en hecht vast aan het dijbeen (femur) in de buurt van het heupgewricht. Deze spier zorgt voor het voorwaarts heffen, het zijwaarts heffen en het naar binnen draaien van het bovenbeen. Daarnaast is het ook een belangrijke stabilisator van de heup.

De Gluteus Medius is de middelste van de drie bilspieren en je kan hem voelen aan de zijkant van je heup. Deze spier helpt mee bij het zijwaarts heffen van het been. Daarnaast helpen de voorste vezels mee bij het been naar voren bewegen en het naar binnen bewegen van het been. De achterste vezels helpen mee bij het naar achteren bewegen en naar buiten bewegen van het been. De Gluteus Medius wordt vaak in verband gebracht met een hele reeks loopblessures zoals lopersknie, ontsteking van de patellapees, irritatie van de achillespees, etc.

De Gluteus Maximus is de grootste en sterkste spier van ons lichaam. Het verbindt het darmbeen, heiligbeen en staartbeen met het femur via het weefsel van de dij. Het is de belangrijkste spier die ervoor zorgt dat we rechtop kunnen lopen. Een zwakke gluteus maximus geeft een slungelige ingevallen basishouding.

De Gluteus Maximus zorgt voor het strekken (extensie), roteren (exorotatie) en zijwaarts afvoeren van de heup (abductie). Het strekken wordt ook wel extensie genoemd. Bij het strekken kan het been zich zowel voor als achter het lichaam bewegen, hetgeen hyperextensie wordt genoemd. Deze beweging wordt vooral veel gebruikt bij het hardlopen. Tijdens deze hyperextensie zijn juist de bilspieren het hardst aan het werk.

Sterke bilspieren zijn tevens noodzakelijk voor een goede heupstabiliteit. Als je tijdens het hardlopen op 1 been staat zorgen deze spieren in combinatie met je buikpieren ervoor dat je heup recht blijft staan. Zijn je spieren in het bekkengebied te zwak dan zakt je bekken weg naar de andere kant tijdens het hardlopen. In mijn werk als hardloopadviseur in een hardloopspeciaalzaak zie ik bijna 90% van de hardlopers wegzakken in het bekkengebied. Deze verkeerde loophouding kan allerlei blessures in de keten veroorzaken. Sterke bilspieren hebben een ondersteunende functie in de preventie van rugklachten en zijn mede verantwoordelijk voor het ontlasten van je knieen bij het hardlopen.


De heupgordel van een canitrailer zoals bijvoorbeeld Inlandsis wordt geplaatst op de Gluteus Maximus oftewel de grote bilspier. Deze bilspier is de grootste spier in het lichaam en zorgt voor voldoende stabiliteit terwijl je hond trekt.
Door de positie van de heupgordel op de Gluteus Maximus wordt de trekkracht van je hond verdeeld over deze grootste spier in je lichaam. Daardoor voorkom je dat de enorme trekkracht van je hond je onderrug, wervelkolom en gewrichten teveel belast. De exacte positie van de heupgordel mag de hyperextentie van de hardloopbeweging echter niet verstoren. Oftewel je moet met je benen voldoende naar achteren een grote roterende hardloopbeweging kunnen maken.

 

Trainen van de Bilspieren
Om een betere en vooral blessurevrije Canitrailer te worden is het trainen van de bilspieren/ heupstabilisatoren een echte must. Veel mensen denken bij het trainen van de billen aan “squatten”. Bij het squatten pak je inderdaad de bilspieren maar train je vooral andere spiergroepen. De squat is namelijk een kniedominantie oefening waarbij de nadruk vooral ligt op de bovenbenen.
Om de bilspieren volledig aan te spreken zijn andere oefeningen nodig die de heupextensie aanspreekt en dan vooral de hyperextensie van de hardloopbeweging.  De Hip Thrust, Glute Bridge, Pull Through en Bent Leg Reverse Hyper zijn dan de beste keuze.

In zowel mijn hardlooptrainingen als de aparte Blackroll-trainingen voor hardlopers voeg ik voor het trainen van de bilspieren het liefst een elastiek toe voor wat extra weerstand.

Op de website van Blackroll vind je de volgend oefeningen die uitermate geschikt zijn voor Canitrailers:
– De Glute Bridge
– De Clamshell
– De Side Walks
– De Side Pull
– De Glute Kickbacks

Op Youtube is deze workout van MadFit met de weerstandsband ook prima om toe te voegen aan jullie trainingsschema 🙂

Kies een regenachtige dag en ga lekker aan de Gluteus Maximus werken voor meer stabiliteit tijdens het canitrailen:)

 

Trainingsschema voor de absolute Beginner

Je hebt een lieve hond waarmee je samen zou willen canitrailen…maar hoe begin je?

Ben je een absolute beginner in het hardlopen dan is het noodzakelijk om de belastbaarheid van je lichaam te trainen. Raadzaam is om dan zelf 3x in de week te trainen en je hond in ieder geval 2x in de week mee te nemen. Naast het aanschaffen van goed Canitrail-materiaal zoals een heupgordel voor jezelf, een harnas voor je hond en een verende lijn loop je zelf op goede hardloopschoenen met voldoende demping en/of profiel. Waar je op moet letten wat betreft het juiste Canitrail materiaal kun je lezen in deze blog. Wat betreft de juiste schoenen kun je het beste laten adviseren in een hardloopspeciaalzaak. Heb je een sterk trekkende hond dan is maximale grip ( bij gladde ondergrond) en optimale demping ( op de paden in de zomer) erg belangrijk.

En dan … Prik een datum, kies een mooie plek in de natuur en volg het onderstaande hardloopschema naar 30 minuten hardlopen in 10 weken:)

Trainingsschema : in 10 weken naar 30 minuten

Training 1 Training 2 Training 3
Week 1 10 min inwandelen
T: 5 x 1 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 8 x 1 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 5 x 1 min L
R: 2 min W
10 min uitwandelen
Week 2 10 min inwandelen
T: 8 x 1 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 4 x 2 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 8 x 1 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
Week 3 10 min inwandelen
T: 10 x 1 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 3 x 3 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 10 x 1 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
Week 4 10 min inwandelen
T: 6 x 2 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 3 x 4 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 1 x 3 min L/ 2 x 5 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
Week 5 10 min inwandelen
T: 2 x 7 min J
R: 3 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 2-3-4-3-2 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 1 x 5 min L/ 1 x 10 min J
R: 3 min W
10 min uitwandelen
Week 6 10 min inwandelen
T: 2 x 10 min J
R: 3 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 4 x 5 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 2 x 10 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
Week 7 10 min inwandelen
T: 1 x 5 min L/ 1 x 10 min J/ 1 x 5 min L
R: 2 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 3-4-5-4-3 min L
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 3 x 8 min J
R: 2 min W
10 min uitwandelen
Week 8 10 min inwandelen
T: 1 x 12 min J / 1 x 9 min J/ 1 x 6 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 4 x 6 min HL
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 2 x 15 min J
R: 5 min W
10 min uitwandelen
Week 9 10 min inwandelen
T: 3 x 10 min J
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: : 4-5-6-5-4 min HL
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 1 x 20 min J/ 1 x 15 min L
R: 2 min W
10 min uitwandelen
Week 10 10 min inwandelen
T: 1 x 10 min L/ 1 x 15 min J / 1 x 10 min HL
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
T: 4 x 9 min HL
R: 1 min W
10 min uitwandelen
10 min inwandelen
30 min L
10 min uitwandelen

Wandelen aan het begin en einde van de training. Waarom?!
Start en eindig jullie training altijd met 10 minuten in- en uitwandelen in een stevig wandeltempo. In deze tijd kun je je hond nog een poepje en plasje of een snuffeltje laten doen. Hierdoor breng je niet alleen geleidelijk de temperatuur van jullie lichaam omhoog of omlaag maar breng je ook je hartslag rustig omhoog of omlaag.

In de warming-up bereid je jullie lichaam voor op het sporten. Het bloed wordt dunner waardoor het sneller kan stromen en er meer zuurstof kan worden opgenomen en getransporteerd. Het vloeistof in de gewrichten (synovia) wordt stroperiger waardoor de smering in de gewrichten beter wordt en het dempingsvermogen van het kraakbeen toeneemt. Daarnaast wordt de reactiesnelheid hoger doordat de zenuwen bij een hogere temperatuur beter geleiden. En als laatste worden de pezen en spieren flexibeler bij een hogere temperatuur.

Bij een high-impact sport als canitrailen en zeker bij het kortere sprintwerk zoals canicrossen is het beginnen van jullie training met een warming-up van 10-15 minuten absoluut noodzakelijk om blessures te voorkomen. Onderzoek wijst uit dat het oprekken van spieren in de warming-up geen effect heeft op het voorkomen van blessures. Het kan de sportprestatie die jullie nog moeten gaan leveren zelfs negatief beinvloeden, omdat door het rekken de kracht en snelheid in de benodigde spierenspanning daalt.

Voorbeeld warming-up:
– Begin met 10 minuten actief wandelen in opwarm tempo en loop hierbij in rechte stukken
– Vervolgens laat je je hond bochten maken, om bomen lopen en/of over omgevallen bomen rustig stappen om de wervelkolom voor te bereiden.
– Na de eerste 4- 5 weken kun je aan jullie warming-up nog 5 minuten licht joggen met ongeveer 3 tot 5 keer een kleine versnelling toevoegen.
LET OP: Ga in deze fase nooit meteen sprinten

Natuurlijk is de omgevingstemperatuur en hoe lang de hond in die omgeving is van belang: hoe kouder de omgeving en hoe langer de hond daarin verbleven is, hoe langer de warming up moet duren. Onder slechte omstandigheden (de hond heeft een uur voor de training bij een buitentemperatuur van 5 graden bij windkracht 6 met de auto vol in de wind in die auto gezeten en heeft gisteren ook intensief getraind) is een warming up van 15 tot 20 minuten zeker nodig.

Alle looptempo’s op een rij:

  • J = Jogtempo: Lopen in Jogtempo is een tempo waarbij je nog in staat bent om te praten, je raakt dus niet buiten adem. Dit tempo kun je lang volhouden. Je hartslag ligt tussen 60% en 72% van je maximale hartslag.
  • L = Looptempo: Looptempo is een redelijk tempo waarbij je licht gaat hijgen, praten is eigenlijk net niet meer mogelijk. Je hartslag ligt tussen 72% en 80% van je maximum.
  • HL = Hardlopen: Hardlopen in een snel tempo, je gaat dan ook flink hijgen maar kunt nog wel je bewegingen en ademhaling goed controleren. Je hartslag ligt tussen 80% en 87% van je maximum.
  • W = Wandelen: Wandelen in een redelijk tempo. Het is wel de bedoeling om te herstellen. De ademhaling wordt weer normaal bij wandelen, maar je loopt wel redelijk door.

 

Belangrijke tips:
1. Train minimaal 2x per week, liefst 3x per week.
Pas dan bouwen jullie je basisconditie op en kunnen de spieren, pezen en gewrichten wennen aan de belasting van het hardlopen.

2. Opbouwen belastbaarheid belangrijk als conditie. Als je begint te trainen bouw je je conditie (aanpassing ook van hart en longen) sneller op dan de hardheid en belastbaarheid van spieren, pezen en banden. Het is dan ook belangrijk om rustig te beginnen en het trainingsschema stipt te volgen; vooral niet meer lopen ook al voelt het dat je meer zou kunnen. Merk je dat je hond teveel in het harnas trekt en jou op sleeptouw neemt, kijk of je dan een deel van de training in een hondenlosloopgebied kunt doen, zodat je hond gewoon stukken vrij mee kan lopen.

3. Wissel altijd trainingsdagen af met rustdagen zodat het lichaam tijd heeft om te herstellen.

4. Wandel met stevige stappen en loop in een rustig, traag tempo hard. Snelheid doet er niet toe!

5. Verlies vooral de moed niet als je het moeilijk hebt. Iedereen heeft wel eens een slechte dag. Pas daarop altijd je training aan. Ga wat minder lang achter elkaar hardlopen en wandel wat vaker tussendoor.

6. Spierpijn of overbelasting? Het is belangrijk om het verschil tussen spierpijn en overbelasting te herkennen. Er is sprake van spierpijn 24 tot 48 uur na jullie inspanning. Dat is normaal. Heb je daarna nog steeds last van allemaal pijntjes dan is er sprake van overbelasting. Herhaal dan nog een keer de week waarin jullie zitten qua trainingsschema om te voorkomen dat jullie te snel opbouwen.
Als je na afloop van de training 5 tot 10 minuten uitwandelt met grote stappen, zul je weinig tot geen last hebben van de liesspieren (spieren die bij het canitrailen zwaarder belast worden). Het is zeker aan te raden om na afloop tijdens het douchen een paar keer je benen met ijskoud water af te spoelen. Een plens koud water zorgt voor sneller herstel van de spieren en voorkomt beginnende blessures.

7. Spierpijn bij je hond herkennen. Als je bedenkt dat zo’n 45% van het lichaam uit spieren bestaat, dan is het niet zo gek dat ook je hond weleens spierpijn heeft. Als je zelf spierpijn hebt, kun je besluiten om extra goed voor jezelf te zorgen, bijvoorbeeld met wat rustig bewegen, een warm bad, een massage of extra gezonde maaltijden. Voor dieren ligt dit uiteraard anders, ze kunnen niet zelf een warm kruikje maken en daarom is het goed om de signalen van spierpijn bij je dier te leren herkennen. Je herkent spierpijn bij je hond aan de volgende signalen:
– verandering in het gangwerk
– verandering in gedrag
– verandering in de houding
– verandering in haarrichting
– minder aangeraakt willen worden
– overmatig veel uitstrekken en/of stijf vanuit ligstand opstaan.

8. Voldoende drinken, eiwitten voor spierherstel en ontstekingsremmende soep. Drink allebei na afloop van de training voldoende en neem wat extra eiwitten na afloop ter ondersteuning van het herstellen van de spieren. Doe zelf wat extra stretch en/of yoga-oefeningen en laat je hond wat extra stretchoefeningen doen (8-tje draaien of neus-naar-staart beide kanten op) Geef je hond een zelfgemaakte kippensoep met kurkuma en zwarte peper (ontstekingsremmende werking). Het recept hiervan vind je op deze site

9. Gebruik nog geen herstellende shakes. Belangrijk is om je hond en jezelf oordeelloos en zonder enige verwachting voor, tijdens en na de training op de signalen van overbelasting te observeren. Houd desnoods een dagboekje bij. Geef je hond nu liever nog geen herstellende shakes; je kunt anders onvoldoende zien hoe je hond heeft gereageerd op de training. In jullie opbouw gaat het namelijk nog niet over spieropbouw of conditie, maar over belastbaarheid van pezen, ligamenten en gewrichten!!! Een herstelshake werkt op een sneller herstel van de spieren. Daardoor herstellen de spieren van je hond sneller, maar de pezen en ligamenten en gewrichten zijn nog onvoldoende hersteld. Je zou dan de indruk kunnen krijgen dat je hond alweer klaar is voor de volgende training, maar op een diepere laag is dat nog niet het geval. Het inzetten van supplementen om pezen en gewrichten te ondersteunen zijn vooral bij grote zware honden wel aan te raden.

10. Je voelt je wat verkouden, wat dan? Ben je wat verkouden dan kun je in een wat rustiger tempo gewoon je trainingen doen. Ben je grieperig, hoest je als een malle en/of heb je last van koorts dan mag je absoluut niet gaan trainen. Pak het schema pas weer op nadat je beter bent. Afhankelijk van hoe lang je ziek bent geweest pak je of het schema weer op vanaf week 1 of twee weken voor de week waarin je gestopt bent.

Ik ben ontzettend benieuwd hoe het jullie vergaat, dus mail gerust jullie ervaringen naar canitrailnl@gmail.com.

Gr. Dorethea ( hardlooptrainer/ canitrailtrainer/ trailtrainer/ fitnesstrainer en yogadocente)
Canitrail.NL

 

Hoe wandelen ook honden helpt om weer contact te maken met hun (echte) natuur

Bewegen in de buitenlucht zorgt ervoor dat er endorfine vrij komt. Endorfine, ook wel het gelukshormoon genoemd, werkt niet alleen pijnonderdrukkend maar ook weerstandsverhogend. Het zorgt voor een geluksgevoel, vermindert angst en verlaagt stress. Na een stevige wandeling in de natuur voel je je direct beter. En dat geldt niet alleen voor ons mensen, maar ook voor onze honden:)

 

In het vertaalde artikel van Dr. Karen Becker gaat ze in op het waarom het ook voor honden belangrijk is om in de natuur te wandelen.
c

Ook honden willen naar buiten
Als je naar buiten gaat en je hond meeneemt, de geluiden en geuren van de natuur in je bewustzijn laat sijpelen – de lucht, de wind en het geknars van de aarde onder je voeten – is het heel goed mogelijk dat je huisdier deze zelfde stemmingsverhogende ervaring ondergaat.

Naarmate je aanwezigheid in de natuur je bewustzijn begint uit te breiden, realiseer je je misschien dat je allerliefste hond bij je is en nog sneller als jij ook terecht komt in een overweldigend gevoel van rust en welzijn. Het enige verschil is dat voor honden de essentie van de natuur hun ware natuur is:

“Wandelen met een roedel honden kan een weg naar zelfontdekking zijn. Ik denk niet dat ik te ver ga door te speculeren dat wanneer we ons zelfverzekerd gezamenlijk over een oud pad in de diepe bossen voortbewegen, er iets primitiefs in werking treedt…”1

Afhankelijk van hun ras en natuurlijke neigingen als werkhonden, retrievers, herders of jachthonden, kun je getuige zijn van de normaal timide terriër die krachtig een stukje aarde verscheurt voor een ongrijpbare muis. En zelfs als je hond een chronische “bankaardappel” is, zou je blij kunnen zijn hem door het bos te zien springen of lekker los te gaan in een pak bladeren.
c

Waarom honden in de natuur moeten lopen?
Omdat we soms hun “wilde” aard vergeten, denken we misschien dat honden het niet leuk vinden om buiten in de kou rond te ravotten, maar daar heb je het mis. Honden zijn er dol op. Sommige honden genieten van alle soorten weersomstandigheden waarvan mensen misschien wel gruwelen. Volgens Eco News Network:

“Frisse lucht is van vitaal belang voor alle levende wezens, ook voor honden. Het is essentieel om je hond voldoende frisse lucht te geven, zelfs bij koude temperaturen. Voor alle lichamen geldt dat frisse lucht het bloed zuivert, het kalmeert de zenuwen, stimuleert de eetlust, bevrijdt het lichaam van onzuiverheden, is noodzakelijk voor het celmetabolisme en is essentieel voor de algehele immuniteit.
Het kan gemakkelijk zijn om te vergeten dat je hond een dier is (ze maken tenslotte deel uit van ons gezin), maar het is belangrijk om te onthouden dat het in feite geen mensen zijn en dat ze veel frisse lucht nodig hebben.”2

Frisse lucht en beweging buiten zijn zelfs van vitaal belang voor het geluk en het welzijn van je hond. Animal Wellness Magazine 3 legt uit waarom honden doorgaans in de aanslag springen telkens wanneer ze iemand horen zeggen “ga wandelen”. Hier zijn vijf redenen waarom tijd buiten doorbrengen niet alleen leuk voor ze is, maar ook gezond:

Door naar buiten te gaan, krijgen honden frisse lucht binnen — Afgezien van extreme luchtkwaliteitsproblemen, is de lucht buiten in de meeste gevallen beter dan binnen. Synthetische tapijten en stoffering, chemische reinigingsmiddelen en andere giftige stoffen kunnen mensen ziek maken, maar kunnen een nog slechter effect hebben op onze harige huisdieren. Regelmatige tijd buitenshuis doorbrengen kan dergelijke toxische blootstellingen helpen compenseren.

• Het helpt bij gewichtsbeheersing — Vooral wanneer je hond het grootste deel van zijn dagen en nachten in huis rondhangt, is obesitas bij huisdieren tegenwoordig meer dan ooit een probleem, wat een negatieve invloed op hen kan hebben op manieren die je je misschien niet kan voorstellen. Het kan o.a. leiden tot aandoeningen, zoals artrose, hartfalen en tussenwervelschijfaandoeningen.

• Het helpt angst, verveling en depressie te verminderen — Speelgoed kan helpen je hond af te leiden van de natuurlijke gevolgen van het niets doen terwijl hij binnen is, maar een kans om “stoom af te blazen” door rond te rennen en aan van alles buiten te ruiken is de beste remedie voor zowel rusteloze als lusteloze honden. Door je hond volop mogelijkheden te bieden om te snuffelen, kun je op een gemakkelijke manier hun kwaliteit van leven drastisch verbeteren, terwijl je ook nog eens samen van het buitenleven geniet.

• “Aarding” is belangrijk voor honden — Als je je ooit hebt afgevraagd waarom je pup graag in het gras of de aarde rolt, kan het antwoord gedeeltelijk worden verklaard door het magnetisme van de aarde. Als ze het grootste deel van hun dagen binnen zijn, worden ze niet blootgesteld aan de magnetische stroom van de aarde, maar worden ze overmatig blootgesteld aan elektromagnetische velden (EMV’s) die bij honden net als bij mensen, schadelijke effecten veroorzaken.4

c

Vergeet niet waar je bent; aanlijnregels
Als alleen jij en je beste viervoetige maatje op pad gaan, is het genoeg om al je problemen te laten vergeten. Maar er is een voorbehoud: vergeet niet dat je hond zich misschien niet zo bewust is van mogelijke gevaren als jij. Als je in een nationaal park of bos bent, kijk dan of honden zijn toegestaan en specifiek waar beperkingen gelden.
Houd je aan de aanlijnplicht die specifiek zijn voor het gebied en zorg ervoor dat je hond gewend is aan het aan de lijn lopen. Heeft je hond veel snuffelruimte nodig maak dan bijvoorbeeld gebruik van een lange biothane lijn van 10 meter. Gaan jullie op pad voor een stevige lange wandeling is het prettig om je hond te bevestigen aan jouw heupgordel zodat jullie in volledige harmonie met elkaar samen lopen.

Het kan zijn dat je hond schrikt van iets of iemand en er plotseling vandoor gaat. Zorg er dan ook voor dat je hond altijd een ID-tag heeft aan de halsband of tuig. En wil je in het hondenlosloopgebied precies weten waar je hond zit, dan is een GPS aan de halsband een goede optie.

Naast het in gedachten houden van je fitnessniveau (voor jullie allebei), zal water, afhankelijk van de tijd dat je van plan bent om weg te zijn, iets zijn dat je hond zelfs meer nodig heeft dan jij als hij snuffelend en gravend z’n omgeving aan het verkennen is. Neem een waterfles en een opvouwbare drinkbak mee voor je hond. Als het warm is, stel je lange tocht dan uit tot het weer wat koeler.

Terwijl jullie gemoedelijk met elkaar in de natuur wat rondstruinen zonder tijdsdruk en erkent dat je precies bent waar je moet zijn, is het mogelijk dat je hond een vergelijkbare tevredenheid voelt. In tegenstelling tot mensen lijken honden geen triggers voor schuldgevoelens of een drang om te rechtvaardigen te hebben, waardoor ze mentaal beoordelen of ze in plaats daarvan iets productiefs zouden moeten doen. Ze zijn veel beter in “leven in het nu” – iets waar we allemaal een les uit kunnen trekken.

c

SAMENVATTING
• Als je je gestrest voelt door de drukte van de dagelijkse beslommeringen maar van het buitenleven houdt omdat het een gevoel van tevredenheid oproept, is het natuurlijk heel goed mogelijk dat je hond hetzelfde kan voelen.
• Voor honden is de essentie van de natuur eigenlijk hun aard, wat kan verklaren waarom je “bankaardappelhond” plotseling tot leven komt wanneer hij buiten is en geniet van de geuren en geluiden van het buitenleven
• Experts zeggen dat frisse lucht het bloed zuivert, zelfs voor honden, vermoeide zenuwen kalmeert, een gezonde eetlust stimuleert en van vitaal belang is voor het celmetabolisme en de algehele immuniteit
• Er zijn verschillende redenen waarom het belangrijk is om regelmatig op pad te gaan voor honden, zoals helpen om ze te “aarden”, evenals aerobe oefeningen en overvloedige mogelijkheden om nieuwe geuren te ruiken

Bronnen en referenties
• 1 The Bark August 2019
• 2 Eco News Network January 2, 2014
• 3 Animal Wellness Magazine May 14, 2018
• 4 Animal Wellness Magazine, How is electro-pollution affecting your pet? February 9, 2019